Verhalen
Wachters en wakers.
Uit de poorten, wallen, muren, grachten, torens en geschut blijkt, dat de Sneekers voortdurend beducht zijn geweest voor mogelijke invallen of aanvallen van buiten. De wachters bij nacht hebben een vrij drukken dienst gehad, want onder de 3000 inwoners, groot en klein, mannen en vrouwen, kan het getal wapendragende burgers niet groot zijn geweest. Meer dan eens in de veertien dagen had ieder burger een nacht dienst, gewoonlijk om den twaalfden nacht, maar in roerige tijden ziet men de diensten verzwaard. Soms gaf dit aanleiding tot hevig protest en verzet van de zijde der wachters en treft men onwilligen, die eenvoudig thuis bleven. Hoe die tot hun plicht werden gebracht ? Wij lezen dat de Heeren Bevelhebberen twee maal 's j aars rechtdag hielden, „aangaande de wacht en andere haar betreffende zaken. Ook werden er nog buitengewone vergaderingen door hen gehouden, altijd met de echarpes om. Als suppoosten waren in hun dienst de Majoor en een Burger Tamboer. De eerste moest 's avonds onder het klokluiden het wachtwoord van den Presideerenden Burgemeester halen en dit op de Hoofdwacht overbrengen, terwijl de laatste 's middags tusschen 3 en 4 uur, het geheele Espel, dat des nachts de wacht had, moest ommeslaan. Met roffelende trom werd dus ieder aan zijn. plichten, van den komenden, nacht herinnerd. In. den j are 1739 is dit in gebruik gekomen, zeker wel om de zwakke broeders geen reden van excuses te laten wegens onwillekeurig verzuim.Wat op de Rechtdagen der Bevelhebberen werd behandeld weten we niet, wel dat de gewone rechter dikwijls in de wachtzaken werd betrokken. De wacht deed bekeuringen, maar onder de wachters waren er ook, die bekeurd werden. Wij zullen hier eenige gevallen mededeelen. Zoo werd Ruurd Palsïs, die in 1703 de wacht had, toen de stadssleutels werden gestolen, even daarna wegens wangedrag als adelborst „afgemaakt." Zoo staat er en dit zal wel beteekenen dat hij geen dienst meer mocht doen en zooveel als eerloos werd verklaard. Daarover gebelgd heeft hij op een nacht, dat Fedde Jochums Balkhout de slechts wacht hadde onder de Waag, dezen aangevallen en mishandeld. Fedde had zijn wachtstok naar boven gebracht en zou naar huis gaan, toen Ruurd hem bij de deur te pakken kreeg. Met behulp van andere wachters werd Ruurd onschadelijk gemaakt en opgesloten in 't p . . kamertje zonder zich daarover te „bekrodigen" (bekreunen.) , 'Later beloofde hij beterschap en liet Tijs Jans, de adsistent, hem er weder uit, doch een uurtje daarna zat hij er ook al weer in op order van den hoofdofficier. Het „afmaken" schijnt dus nog al een gevoelig tuchtmiddel te zijn geweest.
Een Evert Alberts, bijgenaamd Poep, bleef op de slechte wacht absent, gelijk al meermalen was geschied. Dat ging zoo niet langer en daarom besloot de wacht hem tot zijn plicht te brengen. De Hopman met den Sergeant en het andere wachtvolk trok op een nacht naar zijn woning. Er werd aangeklopt en de Sergeant Pieter Ypes, mr. glazenmaker, eischte dat de deur geopend zou worden. Evert weigerde. Hij begreep dat men gekomen was om hem te halen en te dwingen. Eerst liet de wacht hare vermaningen hooren en toen volgden dreigementen het huis te zuilen openbreken. Dit bewoog de vrouw des huizes ten slotte de deuren te ontsluiten. Binnen gekomen en rondgespeurd, bleek de onwillige Evert reeds geéchappeerd te zijn door de achterdeur van zijn huis. Men zocht hem vruchteloos en dit laat zich nog begrijpen, maar als een bewijs van zwakke tucht mag zeker gelden, dat Evert 's anderen middags te twee ure zich durfde vertoonen in de werkplaats van den .Sergeantglazemaker Pieter Ypes. Hij was zeer obstinaat en zeide : jij inkomeling, jij aap, die te Franeker voor gek hebt geloopen, jij zoudt hier de stad mee regeeren en mij van mijn bed halen. Dat zal ik dij betaald zetten. Eerst wilde de goede Pieter hem nog met zachte reden tot stilstand brengen, doch Evert werd steeds boosaardiger en tastte hem eindelijk' aan. Het werd een hevige vechtpartij en toen de Sergeantglazemaker, die moedig 's nachts zoo had gedreigd, kans zag aan zijn verwoeden bekeurling te ontkomen, vluchtte hij bij een zijner buren in huis. Evert werd wegens de scheld en vechtpartij ter verantwoording geroepen, doch niet als onwillig wachter. Dat zal aan het college van Bevelhebberen zijn overgelaten.
Nog een paar wachtzaken.
Een Cornelis, Toppenwever, werd destijds in de breuken geslagen omdat hij „bij de stadswallinge was opgeklommen, sonder sig te laten insluyten." Het scheen dus nog al niet moeilijk om als de Poorten gesloten en dewachters van den nacht wakende waren, toch in da stad te komen. Cornelis had goede reden om niet den. aangewezen weg door de poorten te kiezen. Hij was van IJlst gekomen. met een vrij groot pak, waarin vermoedelijk gestolen waar, want dit pak zocht hij haastig te verbergen, toen de wacht hem attrapeerde. Hij zeide toen, dat pak op den weg te hebben gevonden en ging gewillig mee met de wacht, die hem in verzekerde bewaring bracht in het hondegat of het spinhuis. De bewaarplaats voor gevangenen werd ook wel „de Balck" geheeten. Cornelis beproefde nog de zaak direct af te maken, doch daarin kon de wacht niet treden, dat was buiten hare bevoegdheid. Hier hebben we een daad van de wacht, die tenminste iets beteekent, doch wat te zeggen van de volgende feiten? Zoo gebeurde het op een kouden nacht, dat de wachters het beschutsel bij den afgang der trappen, van de wacht daar hebben weggebroken en op het vuur geworpen. Die vernieling zou mogelijk niet voor den gewonen rechter zijn gekomen, doch een Jan Dirks, daaraan onkundig, en die als gewoonlijk werd uitgezonden om de sleutels van den portier weg te halen, stortte dientengevolge bij de trappen neer naar beneden en bezeerde zich vreeselijk. De twee wachters welke het beschutsel hadden weggebroken, werden dan ook tot boeten veroordeeld. Terwijl wij de sluitinge hadden bij de Oosterpoort zoo vertelt de Hoofdman der wacht op een anderen tijd zag ik bij de Waterpoort dat de hekken niet op slot waren, liggende de kettings los om 't slot heen ijder aan een kant. Daarop heb ik Jan Adams de portier der Noorderpoort op de Wagt ontboden en hem gevraagd waarom de deuren der Waterpoort tussen de Leeuwarderpiep en de Noorderpoort niet gesloten waren Hij zeide „ik heb die wel gesloten" en begon daarop ijzelijk te schelden en te dreigen, dat hij het mij betaald zoude zetten, 's Anderen daags volgde weer een heftig dispuut met sterke bedreigingen. Dat was het loon van den Hopman en men ziet hieruit dat het vaak maar veiliger was op open poorten of overtredingen geen regard te slaan. Dit geval geeft ons; weder geen hoog idee van het „wachthouden" en het prestige der .,wachthouders". In later jaren toen de Poorten om tien uur's avonds werden gesloten, zeide een Bartele,bijgenaamd Domeny, tot een vriend toen ze samen een uitstapje naar buiten hadden gemaakt en voor de gesloten poorten kwamen ik geve nooit geen poortgeld en klim er over, dat heb ik alzoo vaak gedaan, kom maar mee. Ditmaal werden ze gevat en zoo kwam de zaak voor den rechter. Uit dit geval kan men al weder opmaken, dat de sluiting niet zoo scherp is geweest als men wel zou mogen verwachten. Behalve zware wachtdiensten voor de veiligheid der stad hadden de burgers in moeielijke tijden nog landsplichten te vervullen. Zoo in het oorlogsjaar 1672, toen de bisschop van Munster ons land bedreigde in verbond met den keurvorst van Keulen, Frankrijk en Engeland. Het was een benarde tijd. Er heerschte ook geen vrede in het land. In Oostdongeradeel waren de boeren zeer oproerig vanwege de goedschattinge. Ze eischten restitutie en trokken met roers, stokken en halve pieken te velde, bedreigende de comptoires en den grietman Scliwartzenberg. Zoo werden b.v. drie ammunitiewagens met kruit en lood op weg naar Dockum door hen aangehouden en bedreven ze veel geweld. Twee boeren van Lioessens en een van Nijkerk werden deswege gegeeseld en gebannen. Collum werd zelfs in brand gestoken door een Zacheus Abbema, groot grondbezitter. Hij was vroeger reeds gebannen en had nu de zijde van den bisschop van Munster gekozen. Als brandstichter (onderscheidene huizen gingen in vlammen op) en verrader van het vaderland liet hij zijn leven op het schavot. Ook de grietman Duco Martena van Burmania te Hichtum had een geweldigen aanval te verduren. De poort van zijn slot werd open gerameid, glazen werden ingeworpen en goederen ontvreemd. Zelfs vrouwen en kinderen deden mee. En onder de vrouwen waren er, die riepen hij heeft voor 100 man geld ontvangen en maar 60 man te velde gebracht. Die vrouwen waren van Sneek en werden deswege gegeeseld, gebrand en gebannen. Te Sneek was het Ruurd Barres die zich zeer oproerig betoonde. Hij bracht een groote menigte op de been, bij gelegenheid der „uytlottinge" De „darde man" toch werd onder de wapenen geroepen „tot noodige wederstand van den vyant ende de bescherminge des vaderlants." Heel eigenaardig ging het toe met die „uytlottinge." De burgemeester Scheltens kwam met den adsistent aan het huis van Ruurd om hem een nummer te laten trekken. Omdat hij niet thuis was heeft de adsistent ,,voor zijn deur voor hem gelottet Toen Ruurd dit even.later hoorde, liep hij den burgemeester na en tastte hem zelfs aan,.roepende, „comt mannen, comt, 't is nu tijt, tast toe." Ook de corporaal Heldoorn werd aangegrepen door Ruurd, die geweld maakte. Óf hij aangeloot is weten we niet, wel dat hij werd gegeeseld en grbannen.Zoo kwam hij nog vrij van de lottinge.
pagina 13
Submenu: