Verhalen
Veepest en bijgeloof.
Het landbouwende en veetelende Friesland beleeft een gelukkigen tijd, met voorspoed naar allen kant. Weinige jaren geleden was het anders gesteld en die tijden waren nog gezegend te noemen, vergeleken bij de 18e eeuw. Wij wijzen enkel op de veepest, die zich hier het eerst vertoonde in den jare 1712. Vijfjaren lang bleef zij heersen ; het zwaarst ; in de jaren 1714 en 1715, doch toen was de veestapel reeds zeer gedund. Iii 1714 zijn er ; in ons gewest over de 61000 runderen gestorven. Onder den boerenstand heerschte destijds armoede en ellende, en Friesland mocht met recht arm Friesland heeten. Erger nog werd de toestand in de jaren 1745 tot 1748, toen die vreeselijke ziekte zich opnieuw vertoonde in veel heviger mate. Zij brak uit in Dec. 1744, en het sterftecijfer steeg in ‘t voorjaar van 1745 zoo ontzettend, dat vele boerderijen werden verlaten of met Mei niet aanvaard door de nieuwe huurders. Hieruit ontstond zulk een verwarde toestand, dat de Staten van Friesland, daaraan paal en perk hebben gesteld, door ieder die zonder genoegzame redenen" een boerderij verliet of niet aanvaardde, te dreigen met „geesseling en 'bannissement en andere straffen. Niettemin bleven vele greidplaatsen ongebruikt liggen en zien we den rechter zeer gematigd optreden tegen de onwillige of liever onmachtige huurders, die zonder vee onmogelijk op de ruimte konden blijven. Volgens officiëele gegevens stierven er in 1745, zonder inbegrip der kalveren, 109,597 stuks runderen in ons gewest. Omdat er geen schors meer was te bekomen voor 't looien der huiden, die bij de looierijen een ondragelijken stank verspreidden, vaardigden de Staten den 15 Mei 1745 mede de order uit om alle gestorven runderen met huid en haar te begraven. De predikanten droegen de pastoriegoederen , over aan de provincie, onder voorwaarde, dat hun een vast inkomen verzekerd werd. Vele dier goederen werden later verkocht. Tal van boeren verloren have en goed en. werden tot den bedelstaf gebracht. Velerlei nering en hanteering kwijnde of stond geheel stil.In den herfst van 't jaar 1769 vertoonde zich de veepest weder zoo geweldig, dat er in gemeld jaar bij de honderdduizend runderen zijn gestorven.Eenige jaren lang is de ziekte toen heerschende gebleven en eerst in 1786 is zij geweken. Weder zag men tal van verarmde boeren de plaatsen verlaten en wij weten, dat zulke plaatsen destijds voor een appel en een ei zijn verkocht.
Wij hebben het vorenstaande even gememoreerd, om begrijpelijk te maken wat ons de rechtboeken vermelden in verband met de veeziekte. Zoo vinden we in de oude bescheiden van de stad Sneek opgeteekend, dat een Lourens Floreu aldaar, in de stad en de omstreken gedrukte brieven verkocht, die volgens hem van een verwonderlijke kracht waren bij ziekten en zwarigheden onder menschen en vee. Wie dezelve kogt zou bevrijd blijven van allerhande qualen en boosaardige siekten, omdat, zoo beweerde de verkooper, die brieven „door den Heere Jezus Christus zelve geschreven waren." Hij verkocht ze voor vier stuivers het stuk, het meest aan de boeren, die ze hunne koeien om den hals en aan de horens bonden, opdat het vee bevrijd zou blijven van de alom heertschende pest. Dit was in den jare 1715, toen de boeren radeloos stonden tegen de gevreesde ziekte, die geheele beslagen wegmaaide. Van die brieven heette het, dat ze den booze konden bezweren en wat deed men al niet om zijn vee te behouden, de bron van bestaan. Den 31 Jan. 1716 vinden we Lourens Floreu in een vrij groote vergadering, „oefening" genoemd, waar door een der vrienden zulk een brief werd voorgelezen met protest tegen den inhoud. Lourens begon daartegen te disputeeren. Hij bepleitte de echtheid en de verwonderlijke kracht ervan tegen de booze peesten. Hij werd ten slotte zeer boosaardig en het dispuut liep zoo hoog, dat Claes Reins, Coopman, uitriep : „jaag die kerel de deur uit" Gerco Rheen, apothecar, stemde daarmede in, waarna Floreu de oefening der vrienden morrende en knorrende verliet. Er volgde een aanklacht bij de justitie, ook tegen zijn vrouw, die werden aangeduid als de werkbasen en autheurs van deze Goddeloose en leugenachtige zaken. Men wete dat Balthazar Becker pas zijn krachtige stem had laten hooren tegen alle tooverij als uit den booze. De „tsjoenderij" hier ter stede, dezer dagen berecht, is wel een sprekend bewijs, dat het geloof in hekserij nog op lange na niet is geweken in onze verlichte twintigste eeuw. Wij hebben er ons dus niet over te verwonderen, dat het bijgeloof welig tierde in de eeuwen die achter ons liggen, allerminst dat in dagen van ziekten en rampen de toevlucht werd genomen tot waarzegsters en duivelbanners. Wanneer ge leest de volgende aanteekeningen uit officiëele lijsten omtrent de veepest te Bolsward, niet p.m. 800 runderen in zijn jurisdictie, dan zult ge verklaarbaar vinden wat we daarop zullen laten volgen uit de sententie boeken van ons gewest, betreffende het bijgeloof dier dagen. Zoo lezen we in de doodenlijsten van Bolsward: 16 Febr. 1745. Thomas Jules heeft in het geheel 30 beesten gehad, daarvan zijn gesturven 29 en l koe is hersteld. l Maart 1745. Durk Scheltes heeft 31 beesten gehad, waarvan 28 gesturven en 3 hersteld, 4 April 1745, Jouke IJbs heeft 42 beesten gehad, 35 gesturven. 2 koeien, l rier en 4 hokkelingen overgehouden. 5 April 1745. Burgemeester Pieter Algra heeft 15 beesten gehad, allen gesturven. 18 April 1745. Dezelfde heeft 13 beesten aangekocht, allen gesturven. 16 Mei 1745. Dezelfde, de 5 aangekogte ossen allen gesturven. 24 April 1745. Anne Jeltes weduwe heeft 32 beesten gehad, 28 gesturven en 3 koeien en l hokkeling overgehouden, enz. enz. Jarenlang bleef de ziekte heerschen en wie er van profiteerden, dat waren de duivelbanners en geestenbezweerders, wat in een volgend stuk uit officiëele bescheiden nader zal worden aangetoond.
Wij hebben in 't vorig nummer van dit blad met feiten en cijfers uit officiëele bescheiden aangetoond, hoe schrikbarend de veepest heeft gewoed in onderscheiden tijdperken der 18e eeuw en aan 't slot er op gewezen dat het de duivelbanners waren, die het meest van de heerschende ellende profiteerden. Bovenaan vinden we als zoodanig genoemd een Lieuwe Christoffels van Bolsward, die in wijden omtrek geroepen werd, om hulp te verleenen, tot eindelijk de justitie zich in de affaire mengde en Lieuwe voor het Hof moest verschijnen. Wij vinden van hem opgeteekend, dat hij o.a. op Kromwal onder 'Burgwerd werd geroepen bij Rients Uiltjes en Hinke IJsbrands. De veepest was bij de buren uitgebroken en nu wenschte men tijdig maatregelen te nemen tegen het dreigend gevaar. Lieuve bevond al het vee betooverd en twee koeien al ernstig ziek zonder dat de eigenaars dit konden zien. Gelukkig dat ze hem tijdig hadden gehaald, nu kon al het vee nog geholpen worden. Hij accordeerde voor een bepaalde som en garandeerde dat het vee de twee komende jaren van ziekte bevrijd zou blijven. Met een test vuur waarop hij een sterk riekende stof had geworpen, was hij den geheel en stal doorgegaan, zeggende: nu zal degene, die het doet, een benauwden tijd hebben. Toen hij even later gehaald werd bij het vee van Dr. Henricus Julius Alberda. Onder Bolsward. sprak hij weder, dat de beesten betooverd waren door booze menschen. Er waren reeds zieken, doch hij zou ze met Gods hulp nog wel behouden, 's Anderen daags kwam hij terug en na geaccordeerd en geld ontvangen te hebben, begon hij te werken met zijn vuur en naar hij zeide ..kostbare rookmiddelen. „Hoe de kwade menschen ongezien in den stal kwamen werd hem gevraagd .Die konden wel door het gootsgat zeide hij, ,,ja zelfs wel door het slotsgat". Door gewone menschen waren ze niet te keeren , doch hij bezat eenmaal die macht, omdat hij met een driedubbelen helm was geboren. Waar die booze menschen woonden werd hem verder gevraagd. Buiten de Sint Janspoort, luidde zijn antwoord, doch ik mag ze niet noemen, want dan zou ik zelf aangedaan worden. Terwijl Lieuwe aan't werk was met het verbranden van zijn kostbare medicijnen, zeide hij nu liggen die boosdoeners in de soes en hebben het zeer benauwd. Om Paschen kwam te zijnen huize een zoon van Antje Hanzes, boerin in de Staversche Zuydermeer, Sible geheeten. Zijn moeder was bezorgd over het vee. Lieuwe sprak ge hadt eerder moeten komen, doch ze zijn nog te wel te helpen. Hoeveel het moest kosten vroeg Sïble. 44 Car, gld. zeide Lieuwe en als ik niet kom, dan blijven er maar twee van het geheele beslag in leven, een daarvan staat boven en een midden in den stal. De zoon rapporteerde dit aan zijne moeder en spoedig volgde er een brief aan Lieuwe om over te komen. Dat was 10 April. Dra bleek hem dat niet alleen het vee, maar ook het huis was betooverd. Geen nood, hij zou al de booze geesten verdrijven, doch een koe kon hij niet meer helpen, die was al te ver heen. Hij wist alles, omdat hij met drie helmen was geboren. Meer dan een toovenaar had hier de hand in het spel en ze woonden allen in 't noorden, zeide hij. Onbegrijpelijke verhalen van zijn wonderkracht werden door hem opgedischt. Zoo had hij eenmaal uitgewerkt, dat een botervat half vol boter zijnde, weder was gevuld door de toovenaars, onderwijl hij een kop koffie had gedronken. Een Klaas Hilverda, daarbij tegenwoordig, merkte op, dat hij dan wel in miraculen scheen te doen en dat hem het geld, daarvoor geëischt, wel eens konde bezwaren. Hij antwoordde, dat hem de kracht daartoe eenmaal gegeven was en dat hij ook zou bewerken, dat Antje Hanzes, het geld aan hem betaald, voor St. Jacobi dubbel terug zou hebben, door veel dikker room op de melk dan voor dezen,Van een geit die Antje even te voren had verloren, zeide hij, dat die ook betooverd was geweest. En hoe komt het met mijn bok vroeg Klaas Hilverda. Daar hebben de booze geesten geen vat op, zeide Lieuwe geruststellend. Na de berooking van schuur en buithuis der Weduwe, maakte Lieuwe eenige schrabben op de schuttingen tusschen het vee en mompelde daarbij in zich zelf eenige onverstaanbare woorden. Aan Sïble, den zoon der weduwe, verzocht hij nadrukkelijk, de sehrabben op de schuttingen zorgvuldig te mijden bij 't schoonmaken der stallen in 't voorjaar. Die moesten staan blijven. Ook moest hij de zijdeuren aan den noordkant der huizinge zoo weinig mogelijk gebruiken. Ten slotte wierp hij nog eenige medicamenten in den put om deselve te suyveren en kreeg hij 19 werp sestehalven van vier in een worp in mindering, terwijl hij later nog eenige kruiden aan de weduwe heeft toegezonden . Gerben Pijters en Klaas Pijters, metselaars te Harlingen, werden ook nog als getuigen gehoord tegen den Bolwardschen duivelbanner. Zij hadden hem gevraagd, hoe het zat met de goederen bij Cornelis de Maas te Harlingen gestolen, wijl alom bekend was, dat hij als duivelbanner gestolen goed wist aan te wijzen. Zijn advies in dezen luidde, een gedeelte der goederen is reeds in de derde hand en dus buiten mijn bereik, doch de overigen zullen bij stukken en brokken weder in huis terug gevonden worden. Bij de komst der Harlinger mannen had Lieuwe dadelijk gezegd „ik weet wel waarom gij komt" en dat was goed uitgekomen. Lieuwe, had 36 stuivers voor zijn verleenden, bijstand gevraagd en ontvangen. Jaren lang had deze duivelbanner dit zaakje bedreven voor hij gevat en gevonnist werd. In het vonnis leest men: dat hij voorgaf als duivelbanner verborgen dingen aan 't licht te kunnen brengen, zich dus als waarzegger had uitgegeven en bedriegerijen had gepleegd om zich te verrijken, weshalve hij bij den scherprechter op 't schavot geleydet ruglings aan een paal gebonden, aldaar een half uur ten spectacule moest worden gesteld, hebbende een papier op de borst waarop geschreven: WAARZEGGER, BEDRIEGER, om na sulx door de dienaren der Justitie te worden gebragt naar het Landschaps Tugt en Werkhuis om aldaar te werken voor den tijd van 4 jaren.
pagina 14
Submenu: