Verhalen
Tooverijen en bijgeloof.
Dou biste fen tsjoensterslaech of tsjoendersfolk is een verwijt dat meermalen voorkomt in oude rechtszaken. Over tsjoenen werd destijds veel gesproken, en nog meer er aan gedacht. In 't gemeen was 't geloof aan booze geesten en spoken veel grooter dan men wel zou denken, ''t Was wel veel verminderd sedert de verschijning van Balthasar Beeker's „Betooverde Werelt", doch op lange na niet geweken. Zelfs in de steden niet en de oude bescheiden van Sneek leveren daarvan, buiten de reeds medegedeelde in betrekking tot de veepest, eenige treffende staaltjes. Wij laten hier een volgen van den jare 1752. Op een vroegen morgen in September van gemeld jaar werd er aan de deur van de 71-jarige Trijntje Siebrens Hoitema te Sneek „volk" geroepen. Zij was de weduwe van den Bouwmeester O. Faber. Hare 44-jarige dochter Rinske, ook weduwe, woonde bij haar in met een meisje van 'n jaar of acht. Toen Rinske naar voren ging om te zien wie er „volk" geroepen had, volgde dit meisje haar in den gang. Aan de deur stond een groote vrouw, die kruiden te koop aanbood. Zij was gekleed in een wit bont jak, waarover een blauw bont schoudermanteltje en droeg een blauw damasten rok met witte bloemen. Rinske wees de aangeboden kruiden van de hand, doch de koopvrouw antwoordde met een bedenkelijk gezicht: Vrouw, weet wat je doet! Je dochtertje is niet wel en ik kan haar helpen. Grootmoeder Trijntje hoorde die woorden, onderwijl ze ook in den gang was gekomen om te zien wat er gaande was. Weet wat je doet! Die woorden hadden indruk gemaakt op de grootmoeder en hare dochter. Want het kleine meisje was inderdaad niet wel, 't was „gammelich" en tierde niet. Dus werd er een pakje kruiden gekocht en die werden direct op anijs te trekken gezet, welken drank ze zelve te koop hadden. Driemaal daags moest de kleine patiënte daarvan een theekopje vol innemen als medicijn, zeide de vrouw, en veelbeteekenend voegde ze daaraan toe voor moeder Rinske : dat zij dezelve ook wel mocht gebruyken, omdat het met haar ook wel beter kon! 't Was al weer waar, Rinsle gevoelde zich ook niet wel in orde. Nu, over een paar dagen zou ze terug komen, de kruidenvrouw, om de uitwerking te zien van hare middelen. Die hadden niet geholpen toen zij terugkwam, doch men zou daarmede nog een paar dagen aanhouden en als er dan geen beterschap merkbaar was, andere maatregelen nemen. De vrouw sprak met sterke en wijze redenen en handelde met zooveel overleg, dat zij het vertrouwen won van de Hoitema's en dien middag zelfs mede aan tafel werd genoodigd. Daarna ging ze heen en keerde 's anderen, morgens terug. Nog geen verandering bij de patiënte, geen beterschap, 't Was een moeilijk geval, verklaarde de dokteres, maar de moeder en grootmoeder behoefden zich volstrekt niet bezorgd te maken over het meisje, want zij had thans de oorzaak van de kwaal gevonden. Daar zweefde in haar huis een geest, die er al jaren regeerde, een stille geest, die nu onrustig was geworden, omdat zijn tijd om was en hij verlost moest worden. Geboren met een driedubbelen helm, was het haar gegeven in gemeenschap te komen met de geesten. Men had dit zoo op te vatten, dat zij de Duive was die de Heer had gezonden tot verlossing, doch om haar taak te kunnen volbrengen, moest alle goud en zilver en al wat verrijkelijk was, tijdelijk worden afgestaan en dit gedaan zijnde, zoude daarmede een schat van geld aan 't licht komen, die in den grond van het huis verborgen was. Men had dus nog grooten rijkdom te wachten. Zoo sprak de sluwe toovenarcs en zij herhaalde, dat die onrustige geest bevredigd wilde worden door giften en werden die niet gegeven, dan zou die geest haar ellendig plagen en allen die in dit huis waren. Zij toonde dit aan met bondige redenen en wist het zelfs schriftuurlijk te verzekeren, verklaarde de grootmoeder, zoodat zij en hare dochter eindelijk hadden toegegeven aan het verlangen der vrouw om van haar goud en zilver afstand te doen, uit vreeze anders zwaar bezocht te zullen worden. Bij een vorig bezoek had ze reeds verteld, dat ze woonde aan 't Schavernek te Leeuwarden en dat ze te Sneek een brief had ontvangen om terstond aldaar te komen bij een heel voorname juffrouw, wier overleden man geen rust in 't graf ken vinden. Zij konde haar wel helpen en die geest tot rust brengen. Dat had ze al vele geesten gedaan in zulke omstandigheden. Dit was de reden geweest dat haar vorige komst bij de familie Hoitem a een dag vertraagd was geworden, Daarom had zij niet eerder gekund. Dit had het geloof in de wonderkracht der vreemde vrouw niet weinig versterkt bij de grootmoeder en hare dochter, zoodat ze nu bereidwillig alle goud en zilver en zaken van waarde bijeen zochten en het de vrouw ter hand stelden. Zoo bracht de grootmoeder o. m. te voorschijn 15 zilveren lepels, een zilveren trekpot met schulpen, een achtkantigen zilveren kop, 3 zilveren theelepels, een zilveren beugel met punthaak en daarin een tas net geld, eenige gouden hoep en steenringen en twee zakjes met naar gissinge 80 Car. guldens. Zoo kon het wel, dacht de grootmoeder, doch de vrouw stond er op dat ook de dochter hare kostbaarheden als giften zoude afstaan voor den geest, die bezworen moest worden. Zoo bracht Rinske haar gouden oorijzer, haar zilveren beugeltas, waarin oud geld, twee strengen bloedkoralen, een gouden punthaak, drie gouden ringen en een zilveren lepel. Waarom haar dogters goed daarbij moeste vroeg de oude vrouw. Omdat deze zelve ook van booze geesten gekweld wierde en dat waren andere dan die van haar dogtertje, antwoordde de met helmen geboren vrouw zeer gewichtig, er aan toevoegend : dat het de dogter anders kwalijk zoude gevallen. Nadat al wat verrijkelijk mocht heeten was afgestaan aan de vreemde vrouw, sprak deze nu moeten wij met ons drieën een Regenkleed over de schouders hebben en samen naar de kelder gaan. want daar houdt de geest zich op en is de schat verborgen, die te voorschijn moet worden gebracht. Samen in den kelder gekomen zoo verklaart de grootmoeder heeft de vreemde vrouw het Regenkleed tot haar genomen en dit mij en mijne dogter van voren over onze hoofden en schouders gehangen, voorgevende dat haar dogter anderzins mogte altereeren als zij de geest zag omdat zij nog niet old. De dochter schijnt dus bedenkingen to hebben gemaakt tegen het blinddoeken.Daarop heeft de vreemde vrouw een steen twee drie van den keldersvloer opgeligt. na vooraf gesegd te hebben, dat daer een teeken onder sonde wesen en hieruit reeds kon geblijken dat haar geseg waer was. Het Regenkleed wierde nu weggenomen en toen riep de vreemde vrouw: daer hebben wij het teeken al vertoonende mij en mijne dogter een olde verschimmelde Jelle Sybes schelling, hetwelk ons niet weinig versterkte in 't voorgeven van deze vrouw, veinzende daarop, dat zij alle onze kostbaarheden „onder de opgenomen steenen in het zand „reeds aan den geest hadde afgegeven, waarna wij met elkanderen weder uit den kelder zijn gegaan naar de camer, vermanende wel ernstig ons beiden, dat wij vooral niet naar de verborgene goederen moesten zien voor zij morgen terugkwam of anders uyterlijk Sondag. Wij hebben toen dien tijd afgewagt, sonder middelerwijl na den kelder te gaan om naar het verborgene te sien of na de verborgen „schat te soeken. Rinske geeft nagenoeg dezelfde getuigenis voor den rechter, doch noemt onder de verdwenen zilver werken nog een hegteknyfje, een vingerhoed, een reuw zilver en een mes en fork in de koker. Dat alles verdwenen was en de vreemde vrouw niet terug kwam, behoeft nauwelijks gezegd te worden. Grootmoeder en hare dochter verklaren beiden nog, tot haar leedwezen niet te weten hoe zij tot sulke swaksinnige en ligtgelovige gedagten gecomen sijn. Toen de vrouw des Vridags bij haer aan tafel gegeten heeft, heeft geen van hae beiden vernomen, dat de vreemde vrouw haer iets heeft kunnen toedienen tot bedweiminge der harsenen, Wel hebben de sterke uitdrukkingen en wijze redenen van de vrouw haar doen gelooven dat zij volkomen waerheit sprak; daarrdoor zijn ze misleid geworden. Bij 't verlaten van den kelder heeft geen van haer beiden gesien dat de vrouw iets bij haer had. Dit stukje bijgeloof komt vrij wel overeen met dat van Langweer, vroeger verhaald, en er zijn tal van stukjes op die wijze afgespeeld in ons kleine Friesland.
Als in 1752 bij de grootmoeder Trijntje Sietsis Hoitema en hare dochter Rinske te Sneek, heeft erin 1'726, dus een kwarteeuw vroeger, een soortgelijk geval van oplichterij aldaar plaats gehad, doch daarvan zijn de daders of er daderessen gevat en gevonnist. Dat mocht een meelooper heeten, want gewoonlijk liepen ze vrij. Als de bedriegers of bedriegsters, meest waren het vrouwen, ergens een goeden slag hadden geslagen, trokken ze onmiddellijk en zoo snel mogelijk naar een andere provincie. Soms namen ze expres paard en rijtuig om spoediger uit den rook en over de grenzen te komen. Het geval dat we nu van Sneek gaan verhalen, is op zich zelf heel gewoon, maar wordt bizonder door de personen, die er de hoofdrol in spelen. Wij leeren er uit hoe de vagebonden destijds in benden het land doortrokken, dit onveilig maakten en tevens hoe de justitie niet alleen wist te straffen, maar ook beloonen. De geschiedenis is deze: Aan den noordkant van de stadspoort te Sneek, waar een old clooster had gestaan, woonde een Émke Scheltes met zijne zuster. Ze dreven boerderij. Den 18 Januari 1726 kwamen hier aan de deur eenige vrouwen, die vroegen zich te mogen warmen, omdat ze het zoo bitter koud hadden. Dit werd haar toegestaan. Ze kregen een warme stoof en zelfs een kopje thee.Wie die vrouwen waren ? Hendrina IJsbrands, getrouwd met Christiaan Willems, Berber Cornelis, Mary van Sneek en Leene Jans. Dit reizend gezelschap logeerde in een slaapstede te Sneek, waar de man, Christiaan, was achtergebleven. Ze dreven negotie in veters en banden, oliën, salve en kruyden en verstonden naar zij voorgaven ook de kunst van waarzeggen en geestbezweren. Wilde het een noch het ander, dan gingen ze bedelen en desnoods stelen. Intusschen werden de grootste winsten behaald met de geheime kunsten, doch daarvoor bood zich niet elken dag de gelegenheid aan. Het bijgeloof moge sterk zijn geweest, niet minder groot was het wantrouwen in zulke vreemde landloopers. Toch wisten ze af en toe een slag te slaan. Zoo te Sneek bij Emke Scheltes en zijne zuster. Toen deze den vrouwen een kopje thee had ingeschonken, zeide Hendrina met eenige verbazing, ik zie dat hier in den hof nog een groote somme gelds is verborgen. er zweeft een geest rond, die geen rust kan vinden. Voorgewende verbazing ook bij de andere vrouwen, doch ernstig gemeend bij de zuster van Emke, die er dadelijk op liet volgen wel eerder gehoord te hebben, dat in het OldeClooster een schat verborgen moest zijn. Zij luisterde dan ook aandachtig naar de verklaringen welke Hendrina daarna verder gaf en riep ten slotte haar broeder Emke, wien 't zelfde verhaal werd gedaan. Om den verborgen schat te ontdekken, vroeg Hendrina eenig geld en een hemd om het er in te verbergen. Een en ander werd haar gegeven en 't geld in den mouw van 't hemd verborgen. Daarna gingen de vrouwen heen met de belofte het des anderen daags terug
te zullen brengen. Dien nacht heeft men daarmee zeker proeven moeten nemen. Wat men niet verwacht zou hebben, de vrouwen kwamen 's anderen daags als eerlijke luiden van hun woord bij den broeder en zijn zuster terug. Het onderzoek was gelukt, de schat aangewezen, maar om haar machtig te worden, moest al het goud en zilver, dat in huis was, worden afgestaan om den geest te bezweren. Broeder en zuster haalden nu al wat van. waarde was bijeen, w.o. een zilveren beugel met bruine tas, een zilveren haak met riem er aan, twee zilveren vingerhoeden, twee dito penningen, een goede schelling, drie dubbele stuivers, drie strengen drie en vierdubbele bloedkoralen' met gouden sloten, een gouden hoepelring, twee bras zilver yder van drie strengen, 't eene een naaldekoker, mes, koker en kussen daaraan geketend, 't ander met rond kussen, meskoker en zilveren schaar daaraan met platte keten en nog vier zilveren lepels, alle welke voorwerpen in drie bonte doeken werden gepakt, waarna een steen werd opgelicht van den vloer in 't huis en dezelve daar begraven, alles behendig verricht met het noodige hocus pocus en de belofte 's anderen daags terug te zullen komen om den verborgen schat aan 't licht en den geest ter ruste te brengen. Ditmaal kwamen de vrouwen niet terug en in plaats een schat te vinden ging voor Emke en zijn zuster een schat verloren, want haastig maakten de bedriegsters zich uit de voeten. Zij trokken naar Leeuwarden bleven daar een nacht en zetten toen koers naar de Leek, waar al het zilver, te Sneek veroverd, aan een Jode aldaar werd verkocht. Hendrina was te Leeuwarden achtergebleven en haar man Christiaan met de andere vrouwen verder gereisd. De reden van dit achterblijven. vinden we niet aangegeven. Van uit Groningen kreeg Hendrina na eenige dagen een brief om tot hen te komen, schrievende daarin dat ze niets meer hadden en alle geld en zilver was verteerd. Burmanje Johannes werd nu aangenomen door Hendrina om haar in een schuifslede naar Groningen te brengen.. Hier vond ze haar gezelschap terug en nu ging het naar Eimden waar spoedig aanhouding volgde, met bevel om direct de stad te verlaten. Nu werd koers gezet naar 't Landschap van Drenthe en o.a. overnacht te Peise, waar ze niet moeite onderdak vonden, en geen duit konden betalen. De armoede werd nijpend, 't Ging slecht met de affaire, nergens een buitenkansje. Zoo kwamen ze vervolgens te Roon. Hier woonde een rijke vrijster, Marrechien geheeten, in wier huis twee der vrouwen toegang wisten te krijgen. Ze boden veters en kruiden aan, doch Marrechien was niet tot koopen bereid, Toen verzochten ze om een kopje thee. 't Was zoo koud. Dit werd haar toegestaan. Zoo kwamen ze in huis en spoedig wisten ze het gesprek te brengen op de vrijage. De eene vrouw zeide, dat Marrechien wel vele vrijers zoude krijgen, wat door deze met „ja" beantwoord wierde. Mary van Sneek zeide daarop, dat zij wel wiste te zeggen wie van al die vrijers haar man zoude worden. Zij konde dit uit het theekopje lezen en na dit met vele redenen te hebben toegelicht, liet Marrechien zich daartoe bewegen. Ze wisten de oude vrijster over de 100 daalders afhandig te maken. Hoe dit toeging, vinden we niet nader aangeduid en doet ook minder ter zake. Met dit geld kwamen de vrouwen bij Christiaan, die terstond een paard en wagen bestelde, om hun naar Swolle te rijden, 't Kon nu lijden en de buit moest zoo haastig mogelijk in veiligheid worden gebracht. Den 24 Maart treffen we het gezelschap te Steggerda bij Egbert Abels, waar ze alle op een bed zich moesten geneeren. Wat ze in deze streek hebben bedreven, vinden we niet vermeld, maar wel, dat ze ten huize van Jochum Luitzens te Blesdijke werden gevangen genomen nog in 't bezit van eenige rijksdaalders, goudguldens, ducaten, schellingen en wat vreemd geld. Het vonnis luidde: geeseling met 3 jaar tuchthuisstraf en verbanning doch onder dat van Berber Cornelus staat geschreven: „Bovenstaande sententie is de gevangene geremiteerd omdat de gevangene veele en gewigtige ontdeckingen hadde gedaan en is haar alleen 't volgende te voren gelezen: 't Hof absolveért de gevangene ab instantia actun 6 Juli 1726. Berber raakte dus vrij van straf. Hare veele en gewigtige ontdeckingen aan de justitie zullen betrekking hebben gehad op een gruwelstuk in Noord-Holland gepleegd. Daarin was 'betrokken een zekere Veronica Jans en deze had in gezelschap van bovengenoemde Leene Jans met salve en cruyden geloopen. Aan deze Leene zal Berber hare „ontdeckingen te danken hebben gehad, waarop we in een volgend nummer terugkomen in verband met de Placcaten, destijds door de Heeren Staten van Friesland uitgevaardigd tegen zwervende bedelaars en vagebonden.
pagina 15
Submenu: