Welkom op het Hoogend.

Zoek

Ga naar de inhoudsopgave

16 Gasthuis.

Verhalen

Het Gasthuis.


In't groot Zuidend of op de Koemerk, eertijds aan den Heiligen Antonius gewijd, schijnt een Kerkje of Kapel te zijn geveest, want op oude teckeningen vertoont zich een spits daarop. In dit Huis bevinden zich tegenswoorclig circa 50 menschen, dewelke hun kost voor hun leven hebben gekocht, zoo in aparte kamertjes, als in Mannen en Wijvekamers, die alhier wel getracteerd worden en zeer plaisierig wonen. Aldus Napjus in zijn Kroniek van 1772. Wij vinden omtrent dit Gasthuis aangeteekend, dat in den jare 1714 aldaar inwoonde een luitenant Mees van Groningen, die het er zeker niet plaisierig heeft gevonden, want hij zat er opgesloten in een kamer met tralies voor de glazen en dubbele sloten op de deuren, wat hem evenwel niet belette, om met vrouwenhulp te echappeeren. Het gelukte hem over de gracht en via Worcum naar Amsterdam te ontkomen. Op eene andere plaats lezen we anno 1712, dat sommige personen werden opgesloten in een houten kamer met schotelen en van hangslotten voorzien, welke kamer zich in „de Beyer" bevond. Dat is de Treemter waar Dr. L. Halbertsma van spreekt in zijne geschriften.

Van een der zoogenoemde kostgangers, den 78 jarigen IJge Prins, staat geschreven, dat hij tegen den binnenvader Bauke Annes het mes had getrokken. Eenige medegasten, allen boven de 80 jaar, bevestigen dit, doch de oude Prins, deswege ter verantwoording geroepen, zegt wel zoo naïef: de orten waren mij te heet, ik conde „niet meekomen, en verzogt den Vader voor mij wat te bewaren, wat hij weigerde, waarop ik quaad wierde en opstaande onvoorsiens het mes in de hand hadde, terwijl de Vader een bezemstok had, waarmede hij mij sloeg tusschen hals en nek. Daarop wierd ik nog quader, doch ik hadde geen plan het mes te trecken, dat is mij ontkomen en ik wil wel goed oppassen, want nooit eerder hebben ze last van mij gehad. Van een Pieter Alberts en Pier Sjerps krijgt men te lezen, dat deze beide proveniers voortdurend schelden op de Hooge Regeering, Z.H. den Prins, den Procureur-Generaal en den Achtbaren Magistraat, wanneer ze dronken en vol zijn, wat bijna dagelijks het geval is. Die beide proveniers namelijk. En zij staan niet alleen. Af en toe komen dergelijke klachten voor en dit is te begrijpen als men weet. dat personen, die zich voortdurend schuldig maakten aan dronkenschap en die niet alleen lastig waren, maar zelfs gevaarlijk werden voor hunne naaste omgeving, een plaats kregen in het Gasthuis. Natuurlijk op voorspraak of door bemiddeling van hunne familieleden. Maakten deze proveniers het al te bont. dan kwam het voor dat ze veroordeeld werden tot 14 dagen op water en brood in 't donker gat onder het Raadhuis. Kennelijk is ook aan menig uytsinnige, waarmede de familie geen raad meer wist, hier een plaats aangewezen mede in 't belang der publieke veiligheid. Het Gasthuis deed dus ook dienst als asyl voor dronkaards en als bewaarplaats voor krankzinnigen. Zoo werd Joliannes Muurling. geschorst Luthersch Predikant te Harlingen. besteld in het Gasthuis te Sneek, wegens „krankzinnigheid. Na een 20-jarig verblijf pleegde de ongelukkige zelfmoord.
Napjus spreekt van het Gasthuis als van een gewezen Kerckje of Kapel en mitsdien kan het ook den naam van Clein Clooster hebben gehad. In dat geval leeren oude stukken al weder, dat het wonen nog om andere redenen niet steeds rustig en pleizierig is geweest. Zoo ziet men even voor 1700 een seer beklaeglyck tafereel opgehangen, over het verblijf te dezer plaatse door Elizabeth van Frowenhove. weduwe Ainbrosuis Lobé; Arriaentie Camp, weduwe Pieter Lafleur, beide al in de 70 en door de 71-jarige Akke Alberts, aangeduid als bejaarde dochter, allen al eenige jaren wonende in 't Gleyn Cloostcr over de verregaande ontuchtigheden, hier bedreven wordende, sedert de soldaten binnen Sneek gekomen zijn, doch niet alleen zijn het soldaten, zoo verklaren deze oudjes verder maar ook andere mannen en gesellen, die het Clooster daags en maals binnendringen, zoo door de „Poort, als langs de hovinge van notaris Siderius over het bolwerk, waardoor zij in hunne nagtrust telkens gestoord worden, gaende die bezoeken dikwijls gepaard met verduiveld vloeken en getier. De soldaten van kapitein Vegelin en ook andere rustverstoorders weten ze bij name aan te wijzen, evenals de vrouwen die oorzaak zijn van deze schrikkelijke feiten, welke vrouwen wel door haar zeer ernstig vermaand zijn geworden, doch waarover deze zich zoo verwoed betoonden, dat zij haar leven, niet meer veilig waren. Hoewel deze op zich zelf staande gevallen ons nog geen recht geven het Gasthuis of Gestichtsleven dier dagen te veroordeelen, leeren ze ons toch dat het toezicht en de controle er niet scherp zijn geweest en de rustige rust er dikwijls veel te wenschen zal hebben overgelaten. Naast deze gevallen, die voor den rechter werden gebracht, staan zeker vele andere van dergelijken aard, die niet ruchtbaar of niet berecht zijn geworden, zoodat we hier ook al weder geen reden kunnen vinden in 't verleden te roemen. .

pagina 17





Homepage | Wie zijn wij? | activiteiten. | Dagboek | Sneek. | Albums | Foto site. | Gastenboek. | Weblog | Genealogie. | Links | Sitemap


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu