Verhalen
Van de Latijnsche school.
Te Sneek kan men bij Napjus lezen dat deze voortijds zeer beroemd is geweest, want uit deselve zijn veele zeer treffelijke geleerde Mannen voortgesproten, als zijnde in deselve, altijd eerste bequame Mannen tot Leermeesters beroepen geworden. En verder De Discipels van de Rectors School plegen voor 't jaar 1701 altijd met Mantels omhangen na School te gaan. Nog verhaalt deze schrijver: Aan deze Scholen behoren ook die 60 į 70 kostelijke Latijnse, Grykse en Hebreeuse Boeken, die voortijds aan Kettingen op daertoe gemaekte Lessenaren gelegt, later zijn gebragt op 't Stadhuys, waar deselve nog bewaart worden. Dat was in 1772. De school stond op 't Westerend van ,t Kerkhof aan de Stadswal. Al meer dan honderd jaar te voren blijkt k deze daar te hebben gestaan en Napjus heeft het goed dat de Discipels mantels hebben gedragen. Dit leeren ons de oude rechtszaken, waarin men die beroemde School meermalen ziet betrokken, juist niet tot roem der Leeraren ende hunne Discipelen. Zoo gebeurde het in den jare 1686 dat Johs. Steentilla, zoon van den Rector, oud 16 jaar de school wilde verlaten in gezelschap van zijn medeleerlingen Baucke Haanstra en Otto Jaans Otma. Baucke vroeg aan Otto, waar is mijn mantel en deze bekomen hebbende, was de Conrector Bruna onderwijl uit zijn schole gekomen, zeggende tot Baucke ziet gij mij niet Baucke zal nog aan zijn mantel hebben gedacht die te zoek was en de Conrector zonder het antwoord af te wachten op zijne vraag, gaf Baucke een slag of twee aan de ooren, waarop Baucke zijn mantel en boeken neersmijtende den Conrector geweldig heeft aangevochten. Johannes, de zoon van den Rector, snelde naar boven en riep zijn vader, die tusschenbeide kwam. evenals Ludovicus Daversman, Praeceptor Scholsę, oud 43 jaar. Deze verklaarde voor den rechter, dat er een claager bij hem in zijn schole was gekomen, die riep: pugnant tu debes juvari, (kom te hulp, zij vechten), waarop hij, denkende dat het kinders waren, terstond was uitgeloopen en bevonden had, dat het Baucke Haanstra en de Conrector waren, die elkander te lijf waren gegaan. Hij scheidde de vechtenden en zag dat de Conrector deerlijck beschrabt was, terwijl Baucke ook bloedend verwond bleek te zijn. Stoffel Roukema, de Duitsche Leeraar, had in zijn Schole een gekrijs gehoord alsof er iemand om hals werd gebragt en geeft als reden van 't geval, dat Baucke zijn hoed niet hadde gelicht. Hoe 't verder is geloopen zijn we niet te weten gekomen,
't Volgende jaar 1687 en wel op Dinsdag den l April kwam het aan deze beroemde school al weer tot een conflict, ditmaal tusschen twee der Leeraren Gualterus Steentilla, Rector, 43 jaar, getuigt te dezer zake als volgt: Schoolgaande en op het Kerkhof komende zag ik Mr. Stoffel Louws aldaar in t portaal van zijn woning staan. omtrent de Oudewijyekamers zag ik hem mede gaan naar zijne Schole. Even later in 't portaal staande kwam de Conrector van zijn huis. Naulijks hadden wij een woord of twee met elkander gesproken of Mr. Stoffel coomt onvoorsiens uytbarsten uit zijn school ende vaart met harde woorden terstont uyt tegenden Conrector, zeggende: du Brunas, dyn Kynders sullen my onoffronteert laten of ick sal sulx op dy verhalen, du verloopen P....,du scheurhont En een weynich daerna: of ick hier of daer claag, mij geschied geen regt, 't is dogs vergeefs hem daarop aen de borst rakende ick sou dy wel 't brein tot de kop uythalen. De Rector zegt de Heeren beiden naar hunne scholen te hebben verwezen gelijck yder daerop na zijn dienst is gegaan. Francais Bruna zegt dat hij zijn beklag heeft ingediend bij
Ds. D. F. v. Giffen , als medeschoolarch, ook over beleedigingen zijn huisfrou en familieleden op onderscheidene tijden aangedaan. Zijne vrouw was door Stoffel Louws voor Landloopster uitgescholden. Ludovicus Daversman werd ook weer als getuige gehoord.
Eenigen tijd later vinden we Lourens Stoffels ontslagen uit zijn bediening aan de Latijnsche Schole 't Moet een lastig of overspannen heer zijn geweest. In den jare 1715 werd hij ter verantwoording geroepen wegens verregaande beleedigingen jegens den Preaceptor Hogenbrug, den Vroedsman Boelens, den Burgemeester Edo Frieswijck, de Chergers van de stad Sneek en jegens zijn Schoonmoeder. De laatste schold hij voor oude tsjoenster; den vroedsman voor dikbast, meerkat, apegat en de man met de bokke of peerdeharen paruick ; van den Preaceptor heette het dat deze door hem geworden was, wat hij was, van hem had hij zijn argumenten en wel veertig voorschriften, hij was de oorzaak van zijn ongeluk; anderen kregen van hem te hooren: schoorsteenveger, koop besemen! terwijl de Opsichters voor bloedsuygers werden gescholden. Allen moeston ze aan een hooge galge gehangen worden en Edo Frieswijck bovenaan ! Vele onmenschelijke scheldwoorden en barbaarsche vloeken worden hem ten laste gelegd, spottende selfs met Hemelsche zaken. Hogenbrug, die maar een oog had, schold hij nog voor klaveraas" en hij dreigde hem ook het andere oog te zullen verbruyen. Er was door de Opsichters wagtgeld en schoorsteen geld van hem gevorderd, toen hij tegen dezen aldus was uitgevaren. Uit disparaatheit en mismoedigheit had zijn 32-jarige dochter, Sijken toen hij nog Leeraar was, zich in den dood begeven.
pagina 18
Submenu: