Welkom op het Hoogend.

Zoek

Ga naar de inhoudsopgave

18 R.K.kerk

Verhalen

de R.K kerk.


Napjus verhaal, in zijn Kroniek dat de Roomschgezinden te Sneek hunne godsdienstoefeningen hebben, gehouden in een huis op de Cingel en dat er in 1695 geld is gecollecteerd voor het bouwen van een kerk, die eerst in 1766 is verrezen, ter plaatse van het oud en bouwvallig geworden huis, dat toen werd afgebroken. Als geestelijken noemt hij Gellius Ylstanus, Dominicus Benedixtus, Pater Pol, Andreas Silvius, Edcardus Solstra, Havo Goitzetma,Lambertus Gramer; Johannes Tol en Lucas Ottink. De laatste werd in 1750 aangesteld en onder zijn regeer werd de fraaie nieuwe kerk opgetrokken. Zijne vier voorgangers zijn te Sneek gestorven respectievelijk in de jaren 1673. 1692, 1719 en' 1750. Uit de gerechtsboeken van Sneek blijkt ons dat tijdens het Priesterschap van Lamlertus Gramer de godsdienstoefeningen nog werden gehouden, in een achterhuis. In den nacht van 4/5 dec. 1714 toch werd hier ingebroken en vinden, we dit aangeduid „als de vergaderplaats der Katholieken". Dien nacht werd de armebos van de kettingen gestolen met een merkelijke somme gelds en bovendien een silveren schotel, een kelk en een cyborie, benevens twee silveren dozen en twee silveren canties. Dit maakte groot gerucht in de stad en spoedig wist men den dader als met den vinger aan te wijzen. Het was een vreemde zwerveling, die met 30 paarden in het trekschip naar Sneek was gekomen in 't gezelschap van nog een vreemdeling. Hij had een blauwe rok aan en op brutale wijze onder het voorgeven van allerhande leugens bij de huizen gebedeld, ja zelfs bij avond onderscheidene vrouwen en meisjes aangetast, w.o. Baukje Sikkes, die 's avonds te 7 ure nevens de deur der groote Kerke door hem was beroofd van haar silveren oorijzer. Toen was er iemand bij hem, die haar aan den hals voelde of ze ook koralen hadde en tastte naar 't zilver op side, doch zij had niet anders dan 't oorijzer, waarmee ze wegliepen. Een ander weet te verhalen dat een man met blauwe rok voor haar deur wakker de piepen speelde en weer een ander, dat deze bij haar in huis was gedrongen, zoodat zij de vlucht had genomen door het achterhuis en over de schutting naar de wacht, die terstond was medegekomen, doch toen was de indringer verdwenen. Zelfs eenige kinderen van 6 tot 12 jaren. Werden als getuige gehoord die alle onder ijzelijk geschrei de vluchthadden genomen, toen de man hen had aangetast, Zeker om zilveren of gouden knopen, welke op den leeftijd van drie en vier jaar al werden gedragen. Spoedig werd de boosdoener opgespoord. Het bleek te zijn een Lodewijk Davids, geboortig uit Engeland, en gewezen soldaat. Hij werd onder het Raadhuis gevangen gezet en legde een volledige bekentenis af. Gevonnisd is hij evenwel niet. Vermoede­lijk is hij uitgebroken en gevlucht, een kunst die vele vreemdelingen hebben verstaan, want telkens leest men van ontvluchtingen. Meermalen is het gebeurd, dat zelfs uit de gevangenis te Leeuwarden tien a twintig personen tegelijk hebben weten uit te breken. En de vruchtelooze pogingen zijn legio. De knapste inbrekers waren ook de knapste uitbrekers.
Men wete, dat heel Friesland destijds maar ééne gevangenis had, het Blokhuis te Leeuwarden. Alle misdrijven van eenige beteekenis werden in de hoofdstad berecht alleen door het Hof. Dit hoorde niet zelf de getuigen, maar kreeg de verhooren van de nedergerechten en ging daarop te zeil. Na inzage dier stukken besliste dit over de al of niet opzending der voorloopig gearresteerden. Elke stad en elke grietenij, ja zelfs elk dorp, had een soort gevangenis, nog bekend als Hondengat. Op de dorpen vond men dit in de torens en te Rinzumageest is het nog in optima forma aanwezig. In grootere plaatsen en in de steden vond men de gevangenis meestal onder de Raadhuizen. Ook andere gelegenheden als de Lombartkamer ziet men daarvoor aangewezen. Kleine zaken kwamen niet voor 't Hof. Die werden berecht in de grietenijen, en kleinere steden zelf. De hoogste straffen zijn geldboeten of eenige dagen op water en brood, vaak verzwaard met de Balck. Zoo leest men in vonnissen van 1613 en later veroordeelingen tot enkele dagen te water ende te broot in de Pekelinge , vandaar nog de Friesche spreekwijs: Yn de pikel sitte en wellicht ook het woord pekelzonde. In later jaren leest men niet meer van de Pekelinge, maar van d e Pekelkuip. Nog in 1795 werd dit woord gebruikt. Meestal kwam er bij in de Balck. Dat wilde zeggen of aan de voeten of aan de handen en voeten beide gebonden. Soms was het om den anderen dag „vrij" of „vast". Wie „in de Balck" moest zitten zag zijn handen of voeten of beide beklemd tusschen twee vrij zware stukken hout of balken, die op elkander geschroefd werden. Dit middel werd ook te baat genomen om het ontvluchten te bemoeilijken van voorloopig gedetineerden, en de uitdrukking „een blok aan 't been" kan daaraan ontleend zijn. Op de dorpen, waar men die balken niet had, gebruikte men touwen voor dat doel. En toch wisten die gebondenen, bovendien meest bewaakt door twee wachters, vaak nog te ontsnappen. Zoo te Sneek allicht de beroover der R K. Kerk Aldaar. Op de „Piekelinge" hopen we later terug te komen, evenals op de merkwaardige vonnissen der Nedergerechten en de beteekenis van het .Hof in die dagen.

pagina 19





Homepage | Wie zijn wij? | activiteiten. | Dagboek | Sneek. | Albums | Foto site. | Gastenboek. | Weblog | Genealogie. | Links | Sitemap


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu