Verhalen
Eelco Napjus
In 1772 heeft de toenmalige Executeur (Eksteur) Eelco Napjus een geschiedenis van deze stad in 't licht gegeven, die thans nog bekend is als de Kroniek van Napjus. Het is een verdienstelijk werkje, destijds met vrij veel ophef verschenen, doch ook met dankbaarheid ontvangen. De stijl is niet fraai of sierlijk, gelijk de schrijver zelf erkent in zijn breed opgezette voorreden, doch de inhoud is kort en zakelijk. Veel wordt er gegeven in een klein bestek en niet onverdiend waren de lofdichten, hem bij de verschijning' gewijd.Zijn zoon Leonardus, Theol. student, laat zich aldus hooren:
't Is billijk, dat ik thans u lof, o vader zinge,
Wijl gij u vlijt besteed, om 't geen de vlugge teyd
Verdonkert heeft voor 't oog van veele stervelinge :
Te stellen in een ligt, 't welk heldre stralenspreid.
Ik mag u waarden kruin met lauwerkransen kronen,
Omdat gij arrebeit, nog moeit, nog kosten spaart
Om ons een schoon Tafreel, der Oudheid te vertoonen,
Waarop 't nieuwsgierig oog, met groot genoegen staart. Zoo volgen er nog twee klinkdichten van anderen, niet minder hoog gestemd, waarin de schrijver verheerlijkt wordt, naar den smaak en het gebruik dier tijden en wij kunnen er vrede mee hebben.
Ruim tien jaar geleden, dus meer dan een eeuw na Napjus, heeft de heer A. Miedema eene verdienstelijke schets over Sneek en het Sneeker Stadrecht in 't licht doen verschijnen, terwijl ook in verspreide bijdragen een en ander over dit oude bloeiende stadje staat beschreven, dat wel der moeite waard is gelezen te worden. Welnu, wij hebben ook plan een bijdrage te leveren tot de historie van Sneek. De stof daarvoor is getrokken uit officieele stukken, welke niet geraadpleegd zijn door de schrijvers hierboven genoemd. Daarom alleen zijn ze reeds van eenig belang te achten. Ook steekt er wel iets nieuws in dit oude. En al zijn het slechts kleinigheden waarop we zullen wijzen, ze kunnen toch den blik in het verleden verhelderen en tot aanvulling dienen van wat er reeds geschreven werd. Wie lust mocht gevoelen een meer volledige en voor onzen tijd passende beschrijving van Sneek te geven, die kan ook van deze mededeelingen profiteeren. Want naar de bronnen waaruit wij hebben geput n.l Informatieėn Nedergerechten is nog zelden of nimmer omgezien als te oppervlakkig, te alledaags of te gering. Hier toch zijn geen regeeringspersonen aan. het woord en vindt men niet. de taal van het stadhuis, maar spreekt het volk. Het volk uit allerlei omgeving, over allerlei voorvallen en omstandigheden, doch in beperkten kring. De stof is dus geleverd door oor en ooggetuigen, die zelf hebben gezien, gehoord of ervaren en die naar waarheid moeten spreken, 't Zijn stemmen uit het verleden of wel stukjes uit het volksleven, die we samenvatten onder het opschrift Vluchtige kijkjes in 't verleden der Stad Sneek. In handschriften van de jaren 1680 tot en na 1700 kan men lezen dat in de stad Sneek, destijds p.m. 3000 inwoners tellende, de volgende "Harbargen" werden gevonden: De Stadsharbarge buyten 't Hoogend; Het Wapen van Wymbritseradeel; de Stad Sneek of het Wapen van Sneek; het Muntsjehuis ; de Son, staande buyten de Noorderpoort; de Witte Arent; de Oude witte Arent en de Gekroonde Arent; 's Lands Welvoeren; In de Oyefaer; 't Hooghuis ; De Drie Friezen en de Stadswage, Stellig zijn er nog meer herbergen of tapperijen geweest, die geen naam hebben gehad en vele slaapsteden, waar ook gedronken werd. Tot Zondagnamiddag drie uur was het verboden te tappen, 't zij bier of sterke dranken. Aan Edo Frieswijck, presideerend Burgemeester, werd de sluiting geweten, welke bij sommigen nog al ontevredenheid verwekte. Ten minste hij werd op dat punt lastig gevallen door malcontenten. Het gebeurde trouwens meermalen dat Burgemeesters, Vroedsmammen en andere ambtenaren werden lastig gevallen door personen die in de herbergen of op straat lucht gaven aan hun vertoornd gemoed. Zoo werd de regeerende Burgemeester Oege Keimpema op zijn wandeling eens aangetast, doch bij die molestatie geholpen door den Vroedsman Huig Claiterp en door IJpe Romkes, molenaar buiten de Noorderpoort. Ook zijn collega Willem de Graaf kreeg het eens te kwaad met een Posselman, die hem op straat achtervolgde zelfs tot op de trappen van het Raadhuis en hem daar molesteerde. Ook gebeurde het wel dat iemand in de vergadering drong om zijne grieven uit te spreken in niet officieele taal. Na eene heftige woordenwisseling trok een Livius Scheltinga zelfs zijn degen tegen een Teye Johanee , die hem beleedigde voor zijn eigen woning. Teye kreeg er duchtig van langs en werd vluchtend nog achtervolgd. Mede kregen de Opsichters (thans Kommiezen) het vaak te kwaad met sommige bewoners. Zoo met Ferdinant Christiaans, herbergier in het Wapen van Sneek, toen ze bij dezen in den kelder bezig waren met het onderzoek en de pegeling der bieren. "Bruy uit mijn kelder" schreeuwde Ferdinant verwoed en dreigend, zoodat de opzichters "seer veraltreerd" de vlucht moesten nemen. Er werd destijds niet alleen bier, maar ook anijswater en geneverwater gedronken, benevens gesuykerde brandewijn. Men had bruin en wit bier, gelijk thans licht en donker. Ook is er sprake van dik en dun bier. Het biergebruik was zeer algemeen. Ook vinden we coffie en thee genoemd. Hét bier werd gedronken bij het mengel in tinnen maten en het anijs en geneverwater bij 't kantsje. Voor zoo'n "kantsje" werd een stuiver betaald. Zeker is dit een ferndel, vierendeel of feantsje geweest, gelijk een vierde van een kan of mingel. De healfeantsjes zijn tot op dezen tijd hier en daar nog in gebruik gebleven, meest in het zuiden der provincie. Dat ze voor 1700 ook reeds "kalfjes" gebruikten, blijkt hieruit, dat aan Chirurgijn Haubois eens "vijftehalf vendeltjes" waren getapt. Als bizonder merken we op dat de burgers van eenig aanzien in hun eigen huizen het bier dronken uit zilveren mengels. Zoo werden bij den Procureur Pompejus Reynalda, te Sneek, behalve "een golden ooryzer en silverwerck op de side" ook zilveren mengels gestolen, even als later bij Ds. Ernesticus Gladhair, Pastor te Goenga, uit zijn woning aldaar, terwijl hij te Gauw den predikdienst verrichtte. Men noemde ze mingelsbekers. Ook had men pegelsbekers, mede van zilver. Het toebackrooken blijkt in dezen tijd reeds even algemeen als het gebruik van mosterd en peper. Mede had men reeds lange pijpen. Men sprak meer van. smooken dan van rooken en betaalde 60 cts. voor een. pond tabak. Van vrouwen leest men dat ze zaten te "Speldewercken" (vermoedelijk kantwerk). Ook is er sprake van "speldewerckersborden", en van vrienden en geburen lezen we, dat ze gingen te "Olykoeken". Op de markt stonden tafeltjes met vuurpotten. Daar werden door vrouwen bollebuisjes gebakken. Ook kon er met dobbelsteenen worden geworpen om dit gebak. De roerige jeugd maakte het deze vrouwtjes wel eens wat lastig. De Memorieschrijver.
pagina 2
Submenu: