Welkom op het Hoogend.

Zoek

Ga naar de inhoudsopgave

22 Stadhuiswoorden

Verhalen

Franse of Stadhuiswoorden.

Bij het doorlezen der oude geschriften betreffende Sneek, hebben we ons afgevraagd: hoe komt het dat men in al die stukken van twee en meer eeuwen geleden zooveel Fransche of zoogenaamde stadhuiswoorden aantreft. Nadat de Franschen eenige jaren meester in en van ons land waren geweest tengevolge de revolutie van 1795. laat het zich wel verklaren, dat er menig Fransen woord is overgenomen en in gebruik gebleven, doch vóór 1700 vinden we zelfs vele dier woorden reeds in zwang, vooral op de Raadhuizen en in, de officiëele taal. Mogelijk is men bij 't opstellen van keuren, resolutiën en verordeningen wel in de leer geweest bij onze zuidelijke naburen en zijn de onze vervaardigd naar 't Hollandsche model en dit naar het Fransche. De Friezen moesten toch een nieuwe taal aannemen, nadat de Sax hier meester was geworden in 1500. Dit wat de officiëele stukken betreft, maar onder het volk ziet men tal van Fransche en maar zelden Spaansche woorden, gebruikt, niettegenstaande de Spanjaarden hier vele jaren heer en meester zijn geweest. Vanwaar dit verschijnsel. Voor een deel meenen we dit te mogen verklaren uit de omstandigheid dat ons land op het einde der 17e eeuw overstroomd werd met Fransche vluchtelingen, die om het geloof uit hun eigen vaderland verdreven, hier niet alleen een veilig toevluchtsoord hebben gevonden, maar zelfs met open armen zijn ontvangen. De regeeriug heeft ze in bescherming ge­nomen. Reeds in 1681 werd door de Staten van Friesland eene resolutie uitgevaardigd, waarin aan deze refugé's alle vrijheden, voorrechten en gerechtigheden werden toegestaan, die eigen ingezetenen alhier genoten, spoedig gevolgd door een publicatie waarbij alle Gereformeerde Familiën, die uit andere landen moesten wijken, hier gedurende 12 jaren tijds werden vrijgesteld van extraordinaire lasten. In Augustus 1682 besloten de Staten van Friesland eenige landerijen met voorrechten aan Fransche vluchtelingen te geven, gevolgd door een resolutie om tien Fransche Predikanten binnen deze provincie aan te stellen op een traktement ieder van f 400 met f 100 voor huishuur. Dit verklaart de vele Fransche namen van personen die we om dezen tijd en later in de oude stukken aantreffen, en voor een groot deel ook de Fransche woorden, die we uit den mond des volks vinden opgeteekend. We zullen er, mede curiositeitshalve, eenige van memoreercn. Daar zijn er al een paar en zoo zijn er vele, alle van omstreeks 1700 en dus niet uit den zoogenaamden Fransehen tijd van omstreeks 1800. Friesch en Fransch ziet men soms in één zin. vereenigd. Zoo leest men Ruggelings nedergedrukt op de potkast van Ruurd Geales huizinge wierde zij gelibereerd (bevrijd) van haar man; en de aanrander, deswege vermaand, bekrodigde er zich niet over. „Bekrodigen" komt dikwijls voor in de plaats van het Friesche „bekreunen", berouw gevoelen. „Wij quamen hem nae huis te helpen, om dat hij disorder moveerde als doende exeessive baldadigheden." „Hij heeft zeer vileyelick gescholden," welk Fransch woord herinnert aan ons Friesch fuwleindig. Een ander hooren we zeggen: „Bij mijn buren had ik een half tonne biers opgeleit om te consumeeren." Hieruit ziet men, dat de burgers het bier op den tap hebben gehad voor dagelijks gebruik. Ook blijkt ons, dat bij begrafenissen veel bier werd geconsumeerd, zoo in de stad als ten platten lande. Te Delft werd" in 1585 al brandewijn gebrouwen en honderd jaar later spreekt men ook van jenever, doch het bier bleef toch nog het meest in gebruik. Door onze Staten is bij placcaat van 3 691 het gebrüik van bier en wijn of sterke dranken ij lijkmaaltijden zelfs verboden. Het „Leedbier" is zeer oud. Bizonder is de volgende uitdrukking, die van Wobbeltje Ydes als getuige staat opgeteekend: „Hoorende het geraes dat bij de Leeuwarder py p (te Sneek) in zwang ging, heb ik mij toegetransporteerd. Zoomede die van een coopman, welke zegt : Vermits het vriezend weder niet toeliet de navigatie der schepen, was ik in de stad gebleven en hoorde een horribel geschreeuw. Dat was in den strengen winter van 1709. En van dit horribel heeft de Fries zijn oeribel. Van irrigulier, van wandevoir, disfatsoen en disobedientie. van het zich yritativelyck schuldig maken aan dronkenschap, van defendeeren, reguleeren en tal van woorden, als deze, hoort men gedurig spreken. Zoo ook van skobbig habyt, half Friesch half Fransch en van Siap de Voy, dat we aanvankelijk niet begrepen, doch later is ons gebleken, dat daaronder jenever moet worden verstaan, die we ook herhaaldelijk bolleschyt hooren noemen.Dit woord blijkt algemeen gebruikt te zijn voor jeneverwater en komt zelfs nog voor in een verdienstelijk dichtstuk van B. A.van Boelens, zoon van Ayso, den rijken Raadsheer van 't Hof, zich noemend Alvaarsma, die leefde in 1750 en woonde te Hardegarijp, Hij noemde zich Alvaarsma, na den Alvader, wijl zijn eigen vader hem niet meer als zijn zoon erkende, wegens concubinaat met een meisje ver beneden zijn stand. Hij bebouwde zijn eigen grond, maaide zijn eigen land en stak zijn eigen turf. 't Is een man geweest met een helder hoofd en veel talent. Later is hij schatrijk geworden, want hij was een eenigst zoön en zeer waarschijnlijk is Dr. Eeltje Halbertema door hem op het idee gekomen van zijn „Jonkerboer", doch 't is hier de plaats niet daarop verder in te gaan. Wij hopen nog eens een afzonderlijk stuk te wijden aan dezen singulieren en begaafden Fries, wiens „Winter in Drie Zangen" later geïllustreerd in 't licht is gekomen. Daarin komen naast „bolleschyt" meer friesche woorden voor als spal1ingen, kei, dracht, posken, nocht, kjirrwit (geluid van een patrijs) en zoo vele bizondere woorden meer. Als gezegd zijn vele Fransche woorden van ouder datum en reeds in gebruik geweest vóór de Fransche refügé s hier kwamen. Of de Spanjaarden daar wellicht mede aan mandeelig zijn geweest, wagen we niet te beslissen, doch van deze kan gezegd worden, dat we vele artikelen naar hen genoemd vinden, waaronder die nog in gebruik zijn.Zoo hebben we in de oude stukken gevonden Spaansche kragen, Spaansche peper, Spaansche dekens (zijnde wit met roode streken), Spaansch crip, Spaansch stiksel (van hemden), Spaansche geveltjes en Spaansche zeep. Dat het er soms Spaansch doorging en nog wel eens Spaansch doorgaat, kan daar nog worden bijgevoegd. Wat Spaansche zeep betreft, is het eigenaardig te lezen, dat de apothecarius M. van, Marssum te Sneek voor zijn winkelramen had. uitgestald niet alleen thee en flessehen met witte suikercandij, maar ook „verscheydene den stenen Spaansche zeep naast elcandren." Zoo zag een apotheek eruit twee eeuwen geleden Als woorden die we nog aan de Spanjaarden hebben, te danken, noemen we parle sjanten (par los santos), kwispeldoor en (escupidora), uilevel (ollevella) en flater (faltar).

pagina 23


Homepage | Wie zijn wij? | activiteiten. | Dagboek | Sneek. | Albums | Foto site. | Gastenboek. | Weblog | Genealogie. | Links | Sitemap


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu