Verhalen
Wetten op de jacht in vroeger tijd.
Op het stuk van jacht zijn de placcaten voortijds zeer vele en zeer streng geweest. 't Was slechts aan de eerste „regeringspersonen en andere geprivelegerende en gequalificeerde" personen geoorloofd over heel Friesland te jagen en dan nog slechts voor bepaalden tijd. Verboden was het „voor Edel ofte Onedel" van Vastenavond tot Sint Jacob (Juni) op éénig wild te jagen, en streng verboden was het eenige „Hazen oft Rheen met netten, roeren, bogen, stricken ofte eenighe andere instrumenten" te vangen, dan alleenlijk hair met hair. Dus alleenlijk met honden, de zoogenaamde lange jacht. Patrijzen en Korhoenders mochten in 't jachtsaizoen geschoten worden. Zelfs de broedende Reygers ziet men beschermd en omtrent, de Patrijzen volgt daarop woordelijk „sal oock van gelycken niemand „eenige Patrijzen mogen vanghen noch jaghen „tusschen Vastenavond en Bartholomei met „den sack, hâm, netten ofte stricken, noch „oock mogen schieten, overmits deselve als„dan nog teeder, jonck, ende om het eten te „cleyn ende om voort te setten onbequaem ,,syn, ook lichtelyck sterven, bij poene van „10 C.guldens." „Sullen ook diegene, die eenige Patrijzen „vanghen, gehouden wezen alle patrijshinnekens, enter of een jaar old sijnde, Dij poene „als voren, te laten vliegen." Mede werd geordonneerd dat alle drye ; en op do Kleylanden een vrij jaar zou zijnn Vrij niet voor de jagers maar voor het wild. Daarentegen, waren ..alle Weydluyden, daartoe bequaem, gehouden ten minste tweemael jaers in de Wouden oft andere noodighe plaetsen te compareeren, om als dan gelykelyck de Vossen en andere schadelijke Dieren ' „te helpen jaghen ende verdelgen, ende dat „met alsulken jacht ende honden, als zij daertoe oirbaerlijkst dencken te gebruiken bij „poene van 10 C.guldens telcken reyse te verbeuren." De jacht op dit schadelijk gediert was dus een gedwongen jacht en 't verwondert ons dat er geen wolven in worden genoemd, waarmede men lang te kampen heeft gehad in de woudstreken. De Eendenkoyen of Horden genoten bizondere bescherming. Op 600 Koningsroeden er af mocht er op geenerlei maniere een roer worden afgeschoten. Gemerkte eenden mochten niet gevangen of geschoten worden, als „Kolganzen, Schieringhen, Vincken. Roepeynen, Horden en Huyseenden, Smeendten, Grifvogels, Slobben en Pylsteerten, die blijkbaar alle in de Koyen gevonden wierden. Vrij zeker als lokvogels. Op het vangen van „Swanen en het Pennensoeckcn" had men nog meer strafbepalingen. Als met de jacht" was het met de visscherij, want ook de visch werd op allerlei wijze beschermd en de uitvoer van visch beperkt of wel geheel verboden, omdat het „sulk een goed en gezocht voedsel leverde voor de ingesetenen. Zeer gestreng was het „Plaecaet tegens het schadelyck gevogelt," dat in 1659 door de Staten werd uitgevaardigd. Het was gericht tegen , Roecken, Exters, Houtexters, Kraeijen, „Kaën. Spreuwen, Musschen en. ander schadelyck Gevogelte, dat gewoon is van proye te „leven, grote schade soo aan land als tuinvrugten doende en in dese provincie seer en meer als te voren vermenigvuldigt.'' Alle Ingesetenen van wat staet, qualiteit.of conditie sullen gehouden sijn voortaen te beletten dat eenige der voornoemde Vogelen op ofte aen boere huizen, toornen, hofsteeden ende landen ofte in eenige van hare boomen, houtgewas, die zij bewonen ofte gebruiken, nestelen ofte broeden, maar deselve nesten zoodra ze die beginnen te maken, uit te stoten en te vernielen, op verbeurte de eerste mael van 20 stuivers en voor de tweede bekeuringe 40 stuivers, verbiedende ook wel expres aan alle pot of pannebakkers om geen Spreeuwen of Musschenkannen te maken, veel min te verkoopen, alsmede geen huiskens van hout of andere materialen te doen maken op poene van 6 stuivers en zal ook een. yder officier alle mogelijke offieien aanwenden, dat in syne jurisdictie de gaeten in de kerken, torens en andere publyke liuizen werden gestopt. Bevolen wordt jaerlijks publyke schouwing te doen. de eerste week voor Mei en een maand daarna, zullende de boeten ten laste komen van de huizen, hofsteden of erven, daer de boomen opstaen,: ten laste der huurders als ze bewoond ten laste der eigenaers. wanneer ze ledig staan. Wegens de gevaarlijke ziekten onder menschen en vee. vroeger heerschende, als pokken en pestilentie, vond in en her en der ledige en verlaten huizen.Toestanden waarvan wij ons in dezen tijd van woningnood en welvaart geen idee kunnen vormen.
pagina 26.
Submenu: