Welkom op het Hoogend.

Zoek

Ga naar de inhoudsopgave

26 Baldadige jeugd.

Verhalen

Baldadige jeugd.


By Lijckle Annes, herbergier bij de Leeuwarder Pijp te Sneek, zaten in den avond van 7 februari 1716 eenige bezoekers rustig bij het vuur te smoken, toen daar vijf jongelingen binnen kwamen, die den boel op stelten gingen zetten. Wytske Wytzes, de vrouw des huizes, geeft voor den rechter een verhaal van ‘t gebeurde, dat pleit voor hare welbespraaktheid, vrouwen in die omstandigheden dikwijls eigen, gelijk men het ook in onzen tijd wel hoort by 't lezen van de verslagen der rechtzaken. Er schuilt dan licht eenige overdrijving in de wijze van voorstellen. Zoo vertelt Wytske, dat dien avond te 7 ure bij haar aan huis zijn gekomen Pier, Rommert, Wybe, Albert en Wytze, allen jonge vrijgezellen, smijtende de tafel met de stoelen over den vloer en op het vuur, brekende alles wat zij conden bezetten, rukkende het schoorsteenkleed en de glasgordijnen er af en die verscheurende, de kanties en halfvendelties weg­werpende, de glazen stukken slaande en openstootende, aldaar een partij goederen uitsmijtende, voorts het theerak met al het goed daarop staande zoo van meel als glas en steenwerk van de wand grijpende en verbrij zelende, ja alles met de voeten trappende; de lamp, de keers en de turven, die aan 't vuur lagen over 't huis en op de bedsteden wer­pende, zoo en in dier voegen, dat ik mij niet anders dan moord en brand voor oogen stelde. Mijn man zoo verhaalt ze verder was alreeds het huis uitgevlucht (dat is dus geen dappere baas geweest, kan men denken, doch dit was om hulp van de wacht te halen), terwijl ze mij dreigden met de blote messen de bek op te vegen en 't kind in de wieg zelfs mishandelden. Toen kwamen er twee moeders van de jongelingen om hunne zonen te kalmeeren, doch ik wierd buiten de deur gejaagd, zegt Wytske, en zelf vluchtten ze door de ramen, toen de eksteur met twee bierdragers verscheen om aan de ravage een einde te maken. Ik was zeer gealtreerd en ben ook veel goed quytgeraakt. Men ziet uit het vorenstaande hoe woest het er vroeger kon toegaan, als de kan in den man was wat hier vrij zeker het geval is ge­weest. Zaken als deze werden destijds minder zwaar gestraft dan tegenwoordig en konden met en­kele dagen op water en brood in de Pekelinge of met eenige guldens worden geboet.

Terzelfder tijd was op de opkamer van de 0oijevaer, waar vele jongelingen lustig op de .banken bij 't vuur zaten, een Jan Juriens gekomen, die nadat hij 't volk had overgesien, uitriep: schrik van vechten! De beste, er uit! Daarop richtte hij zich tot den speelman, dien hij; aangreep en over de banken op den rug in 't vuur heeft gesmeten. In den nacht van 30/31 Jan., toen eenige, speelluiden in mijn huis waren om elkanderen de kunst te toonen aldus de kastelein kwam een Cornelis Jurjens binnen, die een der speelluiden uiteischte met te zeggen: kom mee naar buten, dan kenne we zien wat kerel aste biste. En verder: wat bruit het mij, leveren deHeeren mij breucken (dat waren boeten) so gaan ik voort, ik soek mijn fortuen en laat haar mijn kinders houden. Van Cornelis heet het dat hij gedurig den beest gaat stellen. Nog een kenschetsend stukje van dien tijd is het volgende, dat we veel verkort oververtellen uit de oude stukken van Sneek: Liwinus Scheltinga keerde op een avond met zijn vrouw terug van een vrienden bezoek bij Ègbert Wouters. Het echtpaar werd gevolgd door drie jonggesellen, w.o. Watze Luinstra, die hem vroegen om een halfvendeltje, wat hij herhaaldelijk weigerde. Doch ze bleven aanhouden en bij de deur gekomen drongen ze mede het huis binnen en gingen stoutweg bij het vuur zitten, alsof ze er thuis waren. Onwillig om heen te gaan en niet op een droogje willende zitten, ging een hunner de deur uit en haalde in een bouteille (flesch of bobbeltier) eeniga distillatie of Siap (vermoedelijk jenever). Rustig dronk het drietal dit op en daar­na werd er een halfmingel distillatie gehaald. Dit begon den gedwongen gastheer te vervelen, die ook zijn vrouw niet alleen durfde te laten en dus geen hulp aan de wacht kon vragen. Hij vermaande het drietal zijn huis te verlaten, doch toen haalde Watze iets tusschen zijn broeksband vandaan, dat zoo groot was als een bakkert (boster) zeggende: als ik dat heb kan mij duivel noch floot deren ! Middelerwijl reikte zijn kameraad IJpe hem de tang over en daarmede werd den heer Liwinus Scheltinga zulk een geweldigen slag op het hoofd toegebracht, dat het bloed tegen den muur spatte. De vrouw die ter hulp kwam, kreeg een slag van IJpe, dat het hoofd scheurde. Dit ernstig geval kwam zelfs niet voor het Hof, maar werd door het Nedergerecht te Sneek behandeld en dit vermocht slechts lichte straffen uit te spreken.

pagina 27


Homepage | Wie zijn wij? | activiteiten. | Dagboek | Sneek. | Albums | Foto site. | Gastenboek. | Weblog | Genealogie. | Links | Sitemap


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu