Welkom op het Hoogend.

Zoek

Ga naar de inhoudsopgave

30 Droevig geval.

Verhalen

Een droevig geval ten jare 1716.

De nieuw geëligeerde (gekozen) Heeren van Sneek waren samen rnet het trekschip naar Leeuwarden gevaren en keerden daarmede 's avonds te acht ure uit de hoofdstad terug. Vermoeid van den langen dag, waren de meesten spoedig sluimerende of slapende. Tusschen den Boxumerdam en de Vlaren gekomen, raakte de vroedsman Meyndert van der Ley, water willende maken, buiten boord. Hoewel het jagertje, dat den plof hoorde, zijn paard terstond had stil gehouden, gelukte het niet den drenkeling spoedig genoeg ter hulpe te komen, mede tengevolge het ijs dat er nog in de vaart lag. 't Was nog zeer vroeg 't voorjaar. Met moeite werd het lijk van den vroedsman opgevischt en meegevoerd naar Sneek, waar een paar dagen later de begrafenis plaats had, die veel deelneming vond en nog een , strafgeding tengevolge had. Wij lezen daaromtrent dat Symeon Noyon, die met de geëligeerde Heeren present was op de begrafenis in de kerk, daar als zijne meening te kennen gaf, dat de vroedsman van der Ley nog wel geholpen had kunnen worden, zelfs nadat men hem uit het water had op­gehaald, want zoo betoogde hij wijder, hij had vele boeken gelezen over het bijbren­gen van drenkelingen, die ook den Heeren bekend moesten zijn. maar die hadden ver­zuimd de daarin vermelde en welbekende mid­delen toe te passen. Noyon ging nog verder in zijn beweren en zeide: de Heeren waren inplaats gaan smoken en wijndrinken en moesten zich schamen bij de begravinge te­genwoordig te zijn van een man aan wiens dood zij mede schuldig waren. Het hart in het lijf zou iemand breken dit te moeten aan­schouwen en zoovele redenen meer. Dus had hij gesproken o.a. tot den Bouw­meester Voorhoek en 't was gehoord door Heare Potterus, Schepen, Pief er Zeylstra, Oldschepen en Dedde Schuumans, Regerend Burgemeester. Allen getuigden tegen hem. Bij dergelijke aanklachten luidde het vonnis dikwijls: den beleedigden excuses te vragen en behoorlijke repara­tie van eer te verschaffen. Op welke wijze die „reparatie van eer" geschiedde, weten we niet.

Datzelfde jaar kwam een Noyon, coopman en wever, toegenaamd „de Swarte Jozef" in groote ongelegenheid.Hij had een zijner weefsters, Debora Hornsma, vrouw van den wever Pieter Joris, in drift geslagen en vrij ernstig aan het hoofd verwond. Ongelooflijk is het, wat we nu te hooren krijgen. Hij biedt de verwonde vrouw vijf gulden aan onder conditie dat zij immediaat het land zal verlaten en naar Engeland vertrekken, uit vreeze dat het anders eene strafzaak voor hem en hij vervolgd zoude worden. En waarlijk de vrouw en moeder van eenige kinderen neemt de vijf gulden aan en ver­trekt met den eersten beurtman naar Amster­dam, doch hier weigert de schipper op Engeland „deze zwakke vrouw met bloedend hoofd'' aan boord te nemen, zoodat ze naar Sneek terugkeerde en de zaak toch nog voor den rechter werd gebracht. Wij kennen het vonnis niet over den Swarten Jozef geveld, maar staan verbaasd reeds over het feit, dat met één vijf gulden de reis met de vertering daarin begrepen, van Sneek naar Engeland kon worden gemaakt. Verder rijst de vraag: hoe kon zij haar man en kinderen zoo maar achterlaten en wat moest ze in Engeland beginnen? Was het tijdelijk tot herstel, dan had zij wel dichter in de buurt kunnen blijven. Of , was zij misschien uit Engeland afkomstig? Naar den „van" Hornsma te oordeelen, was het niet haar vaderland en hoorde ze in ons land thuis. Als meest waarschijnlijk stellen we de volslagen afhankelijkheid der familie Joris van den Mr. wever en dat haar verblijf in ons land hem geen absolute veiligheid zal hebben geboden.

pagina 31


Homepage | Wie zijn wij? | activiteiten. | Dagboek | Sneek. | Albums | Foto site. | Gastenboek. | Weblog | Genealogie. | Links | Sitemap


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu