Verhalen
Vechtpartijen.
Voor we de vechtpartijen bespreken die geleverd zijn tusschen de leeraren der Latijnsche school onderling en met sommige leerlingen, geven we een paar gevallen uit het Hooghuis, destijds door Fredrik Keyert bewoond. Op een Dinsdag bevonden zich te zijnen huize Johannes Siebrens, ontvanger te Rauwerd en Einze Siebrens, mogelijk wel broeders. Nadat deze elkander hadden bevochten in de zoogenaamde „gele Kamer", kwam het in den gang tot een geweldig „handgemeenschap", waarin onderscheidene familieleden en vrienden der beide partijen, zoo verschrikkelijk tegen elkander te keer gingen, dat de gansche kamer ontroerd en ontsteld raakte. Keyert spoedde zich naar de Wacht en naar den Fiskaal om hulp. Beiden kwamen spoedig opdagen en de orde herstellen. Van wege de boeten had de Fiskaal groot belang bij zulke zaken.Daar kreeg hij zijn gerechte deel van en we zien hem dan ook dikwijls op het appèl. Sommige dezer ambtenaren blijken al te ijverige dienaren van hun eigen belang te zijn geweest, zoodat het publiek met reden over hen had te klagen. Straks vinden we aanleiding dit nader met feiten aan te toonen. Die Fredrik Keyert in 't Hooghuis had vaak heel wat te stellen met zijn klanten. Er werd dan ook geregeld viool gespeeld en gezongen en gesprongen tot laat in den nacht. Trouwens ook in andere herbergen en deswege kwamen er meermalen klachten bij 't Bestuur van de buren. w. o. van den 76-j. Ds. Petrus Vogelsang, Oudpredikant, die evenals zijne huisgenooten er door gestoord werd in zijn nachtrust. Deze beklaagde zich speciaal over Tijs Jans, hospes In de Oyefaer, en zegt, „dat er vast alle Zondags en des avonds en 's nachts gezelschap aan huis is, danzend en zingend en spelend altijd op de fiool en soms ook nog op een trompet." De Oud-predikant is wel het meest bedroefd, dat de onbehoorlijkheden na den Godsdienst ende des Woensdags (ook des Woensdags was er dienst in de Kerken) telkens voorvallen, terwijl Tijs Jans en zijn Huisfrou nog wel ledematen zijn van de Gereformeerde Kerke. Willem Olivier, Old-burger en Vaandrig, Jelle Oeges Seil, mr. Hoedemaecker en Johs. Corvinus, mr.Backer, getuigen van Keyerts herberg, dat het daar ook zoo gaat, maar dat het nu eenmaal een herberg is en het hun minder incommodeert. In later tijd en wel in1717 herhalen zich deze klachten „In de Oijefaer", staande achter de Broeren (kerk), woonde toen een Fetsje J Mildammius. Daar werd bij avond en nacht zoo veel geweld gemaakt met „roepen, razen, gekrijt, gekerm en andere onordentelijkheden, als vegten en slaen" dat de rust van heel de.buurt er door verstoord werd.' Johs. Hansma, Bedienaer des Goddelijken woords, stond toen aan 't hoofd der beweging tegen dit huis van spel en dans en straatgevecht. Z.E.W. noemt het een slecht huis. Nicolaes Bïenema, boekbinder en boekver cooper, die er vlak tegenover woont bij de Waag, klaagt mede over de „groote troebels en oneenigheden" aldaar. Hij zegt, dat de Hoofdwagt dikwijls te hulp moet worden ge roepen. Adam Olingius, mr. boekdrucker, spreekt van „boos leven en wandel, ontugtige redenen en excessen" vaak zoo vroeg in den avond reeds, dat hij en zijn gezin voor en na den eten er door gestoord worden in hun gebed. Fetsje, ter verantwoording geroepen, beweert dat er in haar huis niet het minste quaed geschiet, wel wordt er gedroncken en raakt er vaak iemand beschoncken, maar dit gaat ook in andere herbergen zoo en kan niet anders in zulk een bedrijf. Een teekenend stukje, Teekenend voor Keyert en zijn tijd, is het vol gende : Dinsdag 4 Mei kwamen te zijne huize Sicke en Siébren Rintjes, de eerste met zijn bruid ende Marten Ritskes, in eene afzonderlijk kamer te zitten drincken en toen hebben deze zich niet ontzien,gelijk Keyert verklaart „ Omme het biergelag met de streecken staende aan het ley baldadiglyck te vergrooten ende daer bij te setten." Daarover zich beklagende werd hij uitgelachen ende bespot en hebben ze een biermingelen plat tegenden grond getrapt en de hangkandeleer van bovenen neergetrocken ende na sulx op bedde gesmeeten ende hebben ook zijn Cooperen. komfoor tegens den grond met veel gewelt neergesmeeten en meer andere moedwil bedroeven, wat zijn 22-jarige dienst maegd nader bevestigt, er nog bijvoegende dat ze haer eigen brandewyu-gelag hebben doorgestroocken" ende oock de lange pipen aan den grond hebben stucken gesmeeten, hebbende wijl zij bediende haer uitgescholden, princepaelyck Siebren , die wilde dat zij bij hem zoude gaen sitten, waarop Marten haer heeft aangetast en tegens wille en danck op de tavel heeft neergezet, dat haer het binnenste wee dede, scheurende haer met groote violentie haer schorteldoek voor het lijf aan stucken, in presentie van haer broodheer, die 't niet konde verhinderen. Ten leste nebben ze haer uit de kamer gejaegd, zeggende: bruy weg!, van betaling niet willende weten, hoewel ze vrij wat bier en brandewijn hadden geconsumeerd. Veel meer dan thans werd er vroeger met scherp gevochten, zoodat we ons niet hebben te verwonderen over het groot getal chirurgijns in de stad, om niet te spreken van de Lede setters, welke er bovendien nog waren. Ook had men er vrouwen, wier hulp werd ingeroepen bij 't setten van leden. Toen een Brantje Haanstra eens drie ribben had gebroken in een vechtpartij, werd eerst de wed. Liskjen Clasen geraadpleegd, die er evenwel geen kans op zag dit geval te klaren. Daarop werd Filips van Gorcom gehaald, mr. Ledesetter, die in het hetzelfde jaar 1714 de ijzeren stakettingen van Jac. Temminck, Chirurgijn, omverhaalde en dus toonde ook de kunst van breken te verstaan. Mr. Temminck, mogelijk een concurrent in 't vak, noemde het fouliën (dwaasheden) welke de mr. Ledesetter had uitgehaald. 't Waren beide vreemde heeren, gelijk nog wel eens nader zal blijken.
Pagina 5
Submenu: