Welkom op het Hoogend.

Zoek

Ga naar de inhoudsopgave

5 Gilden.

Verhalen

Gilden.


Wij hebben hiervoor van de Bakkers gesproken en gezegd, dat deze zich in een gunstige conditie bevonden. Hoe geheel anders waren de tijden toen en thans. Geen gebakken waren van welken aard, mochten destijds worden ingevoerd. Ze hadden dus niet de minste concurrentie van buiten en om zoo te zeggen het rijk alleen. Hoe nauw dit genomen, werd blijkt uit een vervolging, ingesteld tegen Sytse Sjoerds, bakker te Britswerd. Deze werd aangeklaagd, dat hij op ordinaire wekelijksche merkedagen koek had ingevoerd en verkocht o.a. aan Hendrick Jans, huisman onder Scharnegouium. Mede werd hem ten laste, gelegd, dat hij wel koek had afgeleverd aan het Bozumerschip en brood aan de Bolswar der schippers. Dat hij dus scheepswijze koek en brooden had ingevoerd, zijnde sulx sedert placcaat by haar Edel Achtbare op 't stuck van 't cleyn gemaalt impositie geëmaneerd. Vele getuigen werden gehoord, welke de aanklacht bevestigden en de Britswerder bakker zal het wel niet weer hebben gewaagd de Sneeker bakkers in 't vaarwater te komen met zijn waren. Dat kon nog eens bescherming heeten. Zoo ging het destijds in alle steden met alle bedrijven.

De Gilden stonden in volle kracht. Sneek had er vele. Eerst dat der Timmerlieden, Schuitmakers, Metselaars en Steenhouwers; dan het Grootschippersgild; vervolgens dat der Snijders en dat der Kuipers. Lang voor 1700 had elk dezer gilden geschilderde ruiten geplaatst in de Sint Martinikerk te Sneek, sommige met toepasselijke bijschriften op rijm. Zoo waren, ook de vaklieden van andere bedrijven in gilden besloten. „Het vereenigt u" is niet van dezen tijd, maar al van zeer ouden datum. Feitelijk waren het vakvereenigingen en deze hadden hun eigen scholen, waar de leerlingen in het ambacht werden onderwezen. In een der rechtszaken van de stad Sneek vinden wij zulk een vakschool genoemd. Zoo lezen we van den ouden wolspinner Mathijs Mathijssen, dat hij des daags uit den karseboom was gevallen en zich aan 't hoofd had verwond. De chirurgijn mr. Temminck werd gehaald en legde een verband, 's Anderen morgens ' vroeg werd de patiënt dood in het water gevonden voor zijn huis aanhet Kleimand. Het droevig ongeval werd als volgt verklaard : als gewoonlijk vroeg op, heeft Mathijs de aschpot uit syn schole in het water willen uytsmyten eer de kinders by hem ter schole quamen en is toen te water geraakt en verdroncken". Zoo getuigt de stadsbode, die steeds gehaald werd bij 't vinden van drenkelingen en geroepen was daarover te rapporteeren aan den Magistraat.

Teekenend voor den gildentijd is nog het volgende stukje uit de annalen van. den jare 1714, dus bijna twee eeuwen geleden, Pieter Hartens Hollander, bode van het Grootschippersgild, zag Dinsdag 6 November 1714. dat Rein Sakes, buiten 't Hoogend, een vracht „bargen" zou laden in zijn schip. De bode vroeg aan Rein of hij daartoe permissie had. „Wel neen, Snapper", antwoordde de schipper op barren toon en de bode zeide toen: „daarvoor moet je consent hebben van 't Grootschippersgild” Een schipper, gildebroeder, daar present, bood aan de „bargen" voor dezelfde vracht te zullen vervoeren, welke Rein had bedongen, waarop de bode Rein gelastte „die vragt niet te laden bij poene daartoe staende volgens Gildes geregtigheid" Rein zweeg en nam een puts water, die hij met geweld naar den bode smeet, evenals een stokdweil, waarvan hij zich vervolgens bediende om zijn tegenstander te treften. Deze vluchtte, doch Rein zette hem na met het bloote mes in de hand. Zijn vrouw trachtte hem tegen te houden, doch vruchteloos. Aan de woning van den bode gekomen, werden al de glazen flesschen, die op de potkas lagen, door den vertoornden schipper stuk gesmeten. Zijn vrouw, die hem op de hielen was gevolgd, beloofde terstond de schade te zullen vergoeden. Rein werd met een boete gestraft. Of hij de „bargen" ook in zijn kofke heeft gekregen en vervoerd, vinden we niet vermeld en doet ook minder ter zake. 't Was maar om aan te toonen tot welke kwesties „de gilderechten" al niet konden leiden! Een Simon Douwes, Besteller van 't Grootschippersgild, werd tezelfder tijd voor den rechter geroepen omdat hij een brief met Cito, cito. Post , gericht aan een Antonie Spar, niet aan 't huis van dezen had besteld, maar aan dat van een anderen Antonie waar hij werd opengedaan en onder bijgeroepen getuigen gelezen. Tóen uit den inhoud bleek, dat hij niet voor dezen bestemd was, bracht de besteller hem aan Spar, die zoo slecht over' t gebeurde te spreken was, dat hij Simon verklaagde. Deze, „geciteerd en gecompareerd", konde niet verhoord worden door den rechter, omdat hij „overstallig droncken" bleek te zijn. Opnieuw geciteerd en gecompareerd voor den President Cruysbeek, beriep de besteller zich op de door hem geroepen getuigen bij de opening van den brief. Zoo geschiedde het altijd in dergelijke gevallen, en nooit had hij brieven eygener autoriteyt geopend, luidde de verdediging van den beklaagde, die hoogstwaarschijnlijk is vrijgesproken, althans wat de bestelling betreft. Voor het „overstallig drincken" zal hij wel hebben moeten boeten.

Pagina 6


pagina 6

Homepage | Wie zijn wij? | activiteiten. | Dagboek | Sneek. | Albums | Foto site. | Gastenboek. | Weblog | Genealogie. | Links | Sitemap


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu