Welkom op het Hoogend.

Zoek

Ga naar de inhoudsopgave

6 Rechtspraak.

Verhalen

Scheldpartijen en rechtspraken.



Antonie Spar, de aanklager van den besteller Simon, blijkt ook een bizonder heer te zijn geweest. Hij was Marktmeester van beroep. Eens kreeg hij het te kwaad met de Sneeker straatjeugd, die hem sarrend volgde en schreeuwend nariep van: Algesien! Algesien! Hoewel die woorden herinneren aan het verschuilertjespel der jeugd en destijds de beteekenis gehad kunnen hebben, van het latere ”hij hat byt”gelooven wij toch, dat zij in dit geval ontleend zijn aan den Marktmeester zelf. In die kwaliteit terugkomend bij iemand, die reeds betaald had voor zijn vee ter markt, zullen die woorden hem tot een gewoonte zijn geworden en de man alzoo den Bij of Scheldnaam hebben gekregen van Algesien. Op zich zelf is 't vrij onschuldig, maar hij heeft er zich niettemin zeer aan geërgerd en deze ergenis is hem duur te staan gekomen. Niet alleen hem, maar ook nog de onschuldige vrouw van een Uilke Schuil en zijn eigen goede vrouw Stijntje van Wemer en zelfs den Fiskaal den heer Van der Uil. Deze en nog meer anderen werden betrokken in 't zaakje van den Marktmeester en de straatjeugd, dat we hier even zullen vertellen, met minder woorden, dan het destijds werd te boek gesteld. Toen Spar eens door de stad ging, minder kaarsrecht dan de boom, waaraan zijn naam doet denken oftewel in kennelijken staat, riep de spotlustige jeugd hem schreeuwend na van Algesien! Algesienl Sommige knapen wisten hem af en toe tot op de hielen te naderen en steeds te ontkomen, wanneer hij zijne wrekende armen naar hen uitstrekte. De belhamels onder de bende waagden het zelfs hem aan zijn rokje te trekken. En nu gebeurde het, toen dezen weer in zijne onmiddellijke nabijheid ageerden, dat Spar, plotseling met zijn stok zwaaiende, om de deugnieten te treffen of althans van zijn lijf te houden, eene onschuldige vrouw, die achter hem was, zoo geweldig tegen het hoofd sloeg, dat ze over den grond viel en in een nabij zijn den winkel werd binnengebracht. Ook de Marktmeester zelf was door den zwaaienden slag onder den voet geraakt, zoodat er twee slachtoffers ter aarde lagen, tot groot vermaak der onmeedoogende jeugd, wier Algesien met verdubbelde kracht weerklonk, zoodra de Marktmeester zich weder had opgericht en zijn weg vervolgde. De joelende jeugd vergezelde hem tot zijne woning, waar zijne zorgzame vrouw de deur reeds voor hem had geopend en de vijand hem niet verder kon verontrusten. Dat hij niet met open armen werd ontvangen, laat zich denken, en toen hij met een bezwaard gemoed verslag had gedaan van zijn wedervaren en den noodlottigen slag, vrouw Schuil toegebracht, was het zijn Stijntje, die goeden raad wist te verschaffen en hem kalmeerde. Zij had haar plan de campagne reeds vastgesteld, toen goede of liever nieuwsgierige buren kort na de thuiskomst van Spar haar deelnemend kwamen troosten met het droevig geval, waarvan groot gerucht was uitgegaan, want ieder in de stad sprak er over. Stellig zou er een „actie" worden ingesteld tegen Spar en die kon er inloopen, gezwegen nog van de schande, waarmede ze gepaard ging. Wat vrouw Spar deed ? Zij begaf zich ten spoedigste naar het slachtoffer van haar man, om deze haar leedwezen te betuigen niet het gebeurde en verzocht haar meteen 's anderen daags een kopje thee bij haar te komen drinken. Ze konden dan de zwarigheid eens vredig bespreken, 't Was hier een ongeluk geweest, natuurlijk, en vrouw Schuil stemde dit gereedelijk toe. Ze beloofde dan ook op handtastinge van de vriendelijke uitnoodiging gebruik te zullen maken. Met een verlicht hart kwam Styntje hij haar Antonie terug, die in groote spanning verkeerde omdat hij niet wist, hoe 't met zijn slachtoffer gesteld zou wezen. Hij was bang voor 't ergste geweest. De volgende dag kwam, doch vrouw Schuil bleef absent, wat het echtpaar Spar niet weinig verontrustte. Dat wegblijven na de stellige belofte van te zullen komen, deed allerlei donkere vermoedens rijzen. Wat kon er tusschenbeide gekomen zijn ? Moeder de vrouw drong er bij Spar op aan, eens persoonlijk te gaan informeeren naar de reden, Algesien zag er wel tegen op en spartelde eerst duchtig tegen, maar gehoorzaamde eindelijk toch. Aan de woning van vrouw Schuil gekomen, vond hij deze te bed liggen, zwaar ziek, zoo het heette, en van. haar man Uilke, die hem te woord stond, kreeg hij verder te hooren „dat het al te laat was. Te laat namenlijk om nog in eene minneliike schikking te treden. De zaak was reeds in handen van den Magistraat. Mistroostig zette Spar weer stap naar huis en zeer verslagen kwam hij bij zijne echtgenoote, die zich zulk een vreeselijke voorstelling maakte van rechten en pleiten, dat ze geen rust of duur meer had. En toen kort daarna de gerechtsbode aan haar huis verscheen met een citatie of dagvaarding, had Spar uit vrees daarvoor zich reeds buiten de stad begeven, zoodat de citatie niet geaccepteerd kon worden. De vrouw informeerde bij den bode of er geen schikking mogelijk zou wezen, doch deze zeide, dat dit buiten hem was. Daarvoor moest ze wezen bij den Fiskaal welke de citatie had gelast, waarmede hij morgen nog eens terug zou komen. Vrouw Spar vervoegde zich nu direct bij den Fiskaal van der Uil, ook al weer een bizonder heer, gelijk verder zal blijken. Zij sprak eerst over den bode en de citatie, vroeg uitstel en lamenteerde om de actie alsnog af te maken. De heer Fiskaal trok zijn schouders op en sprak hoogborstelijk, dat het eene zware actie konde worden, die wel honderd ducatons zoude kosten, als de partijen zich van advocaten moesten voorzien. Ja, pleiten was duur werk en de zaak afmaken zou verre het beste zijn, maar dat ging niet zoo gemakkelijk meer, nu de citatie in zee was. Dan zal ik tot den burgemeester Frieswijck gaan en met hem spreken, zeide de bedroefde vrouw en de Fiskaal daarop: „dat geeft je geen duit, want ik heb er reeds met hem over gesproken, maar wil het nog wel eens probeeren de zaak inder minne te schikken.Of het voor f 25 in orde zou kunnen komen vroeg de vrouw beschroomd. Neen, die schatting zou wel te laag zijn, minstens zou het f 30 worden. Vrouw Spar ging heen en de Fiskaal niet naar den burgemeester, maar naar den bode om Uilke Schuil te zijnen huize te roepen. Deze verscheen en kreeg, toen hij minder gewillig scheen, van mijnheer o.m. te hooren: „Wil je pleiten, leg dan eerst maar eens honderd gulden klaar om mee te beginnen, ik zou je raden de zaak af te maken." Hoe, dat zullen we nader hooren. Toen Schuil vertrokken was, werd de bode met de citatie weer naar Spar gezonden, die uit vreeze naar 't schijnt, al weer niet te huis was. Volgens zijn vrouw was hij voor zaken buiten de stad, doch de bode verklaarde dat de citatie geen uitstel meer koude lijden en dat zij die nu moest bekrachtigen. Dat was zijn last, doch de vrouw durfde het niet aan, zoodat de bode veer onverrichter zake tot zijn lastgever terugkeerde. Niet onwaarschijnlijk is het stuk daarop berekend geweest, want kort daarna kwam de bode terug met de boodschap van den Fiskaal of vrouw Spar dien middag op een bepaald uur tot Swopkes in de Witte Arent present wilde zijn, waar ook de eischer of aanklager zou verschijn en om nog tot eene minnelijke schikking te komen. Op het vastgestelde uur vinden we den Fiskaal met den bode in Sicopkes Witte Arent, in gezelschap van vrouw Spar en de vrouw des huizes, welke laatste de partij trok van den Fiskaal, toen het op een loven en bieden ging, tusschen den man van het recht en de vrouw van den beklaagde. De laatste verklaart althans: dat door tusschenkomst van Swopke wierde geaccordeerd voor dertig gulden en een kanne wijn in 't gelag, maar dat zij dan ook „van alles af" zouden wezen zonder eenige naspraak. Daarna verscheen Uilke Schuil, die door den Fiskaal in eene andere kamer werd geroepen, waar hem met een passend woord elf gulden van den buit werd ter hand gesteld als vergoeding voor den noodlottigen slag zijn vrouw toegebracht door den Marktmeester Algesien die nog altijd uit de stad was, terwijl vrouw Schuil nog steeds met zware hoofdpijnen te bed lag. Uilke kreeg bij de ontvangst van 't geld de order om één gulden in 't gelag te geven. Swopke mocht ook wel iets hebben voor hare bemoeiingen in deze welgeslaagde affaire. Er was geen gebrek aan wijn en die overvloed schijnt de naaste oorzaak te zijn geworden, dat Uilke Schuil veel langer uitbleef dan hij beloofd had en zijn te bed liggende vrouw had verwacht. Zij maakte zich althans zeer ongerust over zijn lang uit blijven, stond daarom op, kleedde zich aan en zette de stap naar de Witte Arent, iets wat destijds zeer gebruikelijk was onder de vrouwen, wanneer de mannen zich in de kroeg bevonden en er vreeze bestond voor te veel .Zij ging dan om haar man op te halen en haar onverwachte verschijning in de Witte Arent werd door de drinkende gasten aldaar met gejuich begroet. De Fiskaal betoonde zich dermate verheugd over den bijzonder gunstigen loop welke deze aanvankelijk zoo kritieke zaak had genomen, dat hij voorstelde aan de vergaderden om nu ook zijn vrouw en de vrouw van den bode te laten ontbieden en in de pret te laten deelen. Ieder had reden vroolijk te zijn. Zijn voorstel viel in goede aarde en vond algemeen instemming. Direct vertrok de bode met de uitnoodiging aan de dames, die spoedig present waren. Zij schaarden zich in den gezelligen kring, en het ging met den wijn als met de turf in het veen. Er werd op geen flesch gezien. Alles ten koste van den buiten de stad dwalenden „Algesien", die er niets van kwam te kijken. Aan hem werd niet eens gedacht en dat zijn anders zoo zorgzame vrouw mee doordraaide in dit wijngelag, 't welk duurde tot in den nacht, is wel te bevreemden. Maar de wijsheid raakte in de kan en de vrouw het spoor bijster, als de anderen.Toen het op betalen aankwam, moesten ze allen bijpassen. Schuil voor zijne rekening nog drie gulden boven het reeds bedongen gelag. De bode zuiverde vrijwillig een gedeelte van het tekort aan, zeggende : ik heb er ook van genoten ! De Fiskaal zelf offerde slechts 20 stuivers en toen er ten slotte nog drie stuivers moesten wezen, gaf hij de eene en de bode de andere helft van dit bedrag, Swopke kwam alzoo tot haar geld en de Fiskaal korten tijd hierna zelf voor den rechter. Op klachte van Spar of diens vrouw schijnt hij tot verantwoording te zijn geroepen wegens ongeoorloofde praktijken als ambtenaar in dienst van het recht.De getuigen, die gehoord werden, waren allen tegen. hem en vrij zeker met recht, doch.het over hem gevelde is ons onbekend gebleven. Intusschen is het vorenstaande voldoende om aam te tonen, dat het met de rechtspraak twee eeuwen geleden al treurig gesteld was en dat niemand dien „goeden ouden tijd," gelijk hij soms genoemd wordt, terug zou wenschen. Dat er thans met recht gesproken wordt van een gezegenden vooruitgang, ziet men bevestigd niet het minst in de recht­spraak.

Pagina 7




pagina 7

Homepage | Wie zijn wij? | activiteiten. | Dagboek | Sneek. | Albums | Foto site. | Gastenboek. | Weblog | Genealogie. | Links | Sitemap


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu