Verhalen
Inbraak en diefstal.
Als gezegd kwamen inbraken en diefstallen zelden voor in de stad. Zelfs kleine dieverijen waren niet menigvuldig, dank zij de waakzaamheid van de wachten en de ratelaars, van den majoor en zijne adsistenten. Dank zij ook de gesloten poorten bij nacht, zoo te land als te water, zoodat niemand ongezien de stad kon verlaten. De verlichting der stad is van later datum. Voor dien tijd en wel in den jare 1686, hebben we een bezonder geval geboekt gevonden, het eenigste van dien aard in den loop van vele jaren. Bizonder op zich zelf, maar ook door den daarin betrokken hoofdpersoon, de heer Ds. David Flud van Giffen. Geboren en getogen te Sneek, werd hij in 1674 tot predikant beroepen te Wyckel, in 1678 tot Nieuw Bronqerqa of de Knijpe en in 1681 te Sneek. De approbatie van dit beroep heeft veel moeite en strijd gekost. In de historie wordt deze predikant hoogelijk geroemd om zijne buitengewone gaven van verstand en hart. Zijne geschriften zijn zeer bekend geworden en door prof. Voget met een lofrede in 't licht gegeven. Na deze korte uitweiding keeren we tot Sneek. terug. Daar heeft „de nieuwe predikant" gelijk we v. Giffen genoemd vinden, gewoond met zijne zuster Alijd Helena, als huishoudster en een dienstmeisje, op een bovenhuis, met drie opkamers. Deze werden gehuurd van eene Mejuffrouw Hogeveen, die met hare schoondochter Mej. Stuard het benedenhuis bewoonde. De laatste had een zoon Gerrit en eene dochter Maria. Ze waren van goede familie. Nu gebeurde het in den nacht van Dinsdag 10 Maart 1686, dat er eene geweldige beroering kwam in dit groote huis, dat door een poort van de straat was gescheiden. Mogelijk dat met die poort een stoep wordt bedoeld, welke destijds voor alle huizen werd gevonden doch veeleer heeft men hier aan een steenen boog met deur te denken, toegang verleenende tot een steeg naast het huis of tot den tuin, gelijk men. die nog wel ziet in de steden. Die poort werd 's avonds zorgvuldig gesloten, even als alle deuren. Men sliep dus veilig en rustig binnen de muren. Dat zou men denken, doch sedert eenigen tijd had het er af en toe gespookt boven, zonder daarvan de oorzaak te kunnen ontdekken. Misschien wel inbeelding werd er soms gedacht. De bovenbewoners spraken er dan ook niet over met die van beneden, teneinde geen onnoodige onrust te verwekken. In den nacht bovengenoemd werd er weer een verdacht geluid gehoord. Het klonk als een zacht gerinkel van glazen of zilver tegen elkander. Luisterend lag de predikant te bed, zich zelven afvragend hoe en wat dat toch mochte zijn. Kort daarop hoorde hij buiten op straat zeer hard schellen en de nachtwacht roepen: drie heeft de klok, de klok heeft drie! Alijd Helena had het bellen ook gehoord en was er door ontwaakt, doch sluimerde spoedig weer in, denkende dat haar broeder bij een zieke zou zijn geroepen, gelijk meermalen voor kwam. Zoo verklaart deze voor den rechter, en verder: „kort daarop werd ik weder gewekt door mijn broeder, die stil voor mijn „bed was gekomen en zachtkens zeide: Alijd „Helena, daar is licht op onze voorkamer, ik vrees dat er dieven „zijn, want ik heb de glazen of „het zilver tegen elkanderen hooren rinkelen, sta dus schielijk op, ik zal mij wagen en zien of ik de wacht bij ons kriege. Hierna sloop de predikant naar zijn kamer terug, schoot schielijk zijn nachtrok aan, snelde zacht de trappen af en de poort uit om hulp in het dreigend gevaar. Luidkeels begon hij te roepen, zoodat het verre gehoord kon worden en twee ratelaars spoedig toesnelden, doch helaas toen zij door de poort weder in huis wilden gaan, bleek deze gesloten te zijn. Vermoedelijk was ze dicht geslagen door den wind, doch ook de dieven, die er mogelijk waren, konden de hand in het spel hebben gehad. Men riep van buiten om hulp, die van binnen moest komen, van zuster Alijd had de broeder verwacht, doch deze liet op zich wachten. Wat zou er wezen en hoe zou het met Alijd gesteld zijn? Angst en bezorgdheid maakten zich meester van de mannen voor de poort, inzender van den predikant. Met reden, gelijk in 't volgend stuk nader zal blijken. Alijd Helena, die alleen was achtergebleven met het dienstmeisje Geertje, dat was blijven doorslapen. evenals de benedenbewoners, had zich, na door haar broeder geroepen te zijn om op te staan, stilletjes uit hare slaapkamer verwijderd, om te zien wat er was van het licht op de voorkamer, waarvan haar broeder gesproken had. Voor de deur gekomen, ontwaarde ze daar een donker licht en toen verschrikte ze zeer. Niettemin behoedzaam voortgaande, hoorde ze ook eenig gerucht en toen durfde ze niet verder, zoodat ze volgens haar eigen woorden, „zeer verschrikt is teruggetreden, zich plaatsende in de deur van de trappen, die bij de bovengang was. Daar staande werd de deur van de bovenkamer zeer voorzichtig een weinig opengegaan en zag ik dat iemand zijn hoofd er doorstak, wat mij vreeselijk ontstelde. Zoodra die persoon mij ontwaarde, smeet hij met „groote perforsheid de deur open en vloog rechtuit op mij aan. Het was een verschrikkelijk monster, in een wijde losse rok, die zwierde aan beide kanten van den muur, hebbende geen schoenen aan de voeten, hangende hem zijn hozen op de hengsels (enkels), het haar zwierde hem om den kop en zijn hoed had hij in de hand. Wild en woest zag hij er uit en haast vloog hij mij ónder den voet. Doe was het licht al uit, dat hij in zijn hoed gehad moet hebben en hij dacht mij voorbij te snappen, doch ik vatte hem bij een van zijn rokspanden en begon luidkeels te roepen „een dief, een dief. Doch de haast verwachte hulp bleef uit en worstelende met elkanderen, sleepte ik wel half de trappen met hem neer. Doe ontscheurde hij mij en zette ik hem nog na, doch in een oogwenkwas hij nu verdwenen. Bij de poort gekomen riep ik weder luidkeels „een dief, een dief en vond daar mijn. broeder met de ratelaars in groote verlegenheid. Liefst û nog riep mijn broeder, in doodelijken angst, zoodra ik de poort geopend had.
M oord,moord! roep Stuard, gilde ik en op hetzelfde oogenblik kwam deze te voorschijn, zeer verbaasd vragende„wat isser, wat isser! Wat zoude er wezen, antwoorddeik zoek mee en schreeuw.Ontzet liep hij toen mee de straat over, zonder rok en met een muts op zijn hoofd, doch spoedig gaf hij het op, zeggende dat hij te vier ure met het trekschip.naar Leeuwarden moeste, gelijk hij ook gedaan heeft.De predikant, zijne zuster de de ratelaars begaven zich nu met in huis en naar boven, waar een verschrikkelijken stank werd waargenomen, oordeelende 't selve te wezen lonte of tondel en toeziende vond de zuster daar den hoed, welke de dief in de worsteling met haar hadde verloren en die wel voor de helft verbrand bleek te wezen. In dien hoed had de dief blijkbaar zijn keers bedekt gehouden en zoo was daar de brand in gekomen. Het was een fraaie hoed, zwart van couleur met een pluim en met een zilveren galon of koorde omgeboord. De predikant verschrikte geweldig, toen hij dit hoofddeksel zag, dat hem bekend was en zonder dat de ratelaars Arnoldus en zijn kameraad dit merkten, stopte hij het gehavende voorwerp stilletjes onder 't matras van zijn paviljon daar hij op sliep, zeggende tot de ratelaars, van de geheele historie te willen zwijgen.
Uit het vorenstaande zal men reeds begrepen hebben dat Gerrit Stuard voor den dader werd gehouden en toen de Juffrouwen Hogeveen en Stuard (zijnde de grootmoeder en moeder van Gerrit) ook op de kamer kwamen orn te vernemen wat er gaande was, werd de eerste door den predikant in 't geheim betrokken en haar den hoed getoond, waarop zij begon te schreijen en de handen te wringen, hem biddende stille te zwiegen, zeggende „mijn dochter zal hier den dood aan lijden." Daar op hare dochter roepende, zeide zij snikkend: Elisabeth, het is dyn kinds hoed, welke doe ook seer altereerde, mede biddende alles verborgen te willen houden. Dienzelfden morgen kwamen de juffrouwen terug bij den predikant om hem te raadplegen. Zij verzochten hem aan Gerrit een brief te willen zenden, om niet tot Sneek terug te komen, maar naar zijn Oom Stuard te gaan, predikant op een dorpje bij Bergen op Zoom. Wij hooren verder, dat Gerrit dezen winter een zeer ongebonden leven gevoerd en veel geld verspeeld hadde. Hoe hij daaraan gekomen was „Ik hebbe het hem niet gegeven en het is ook in mijne macht niet", verklaarde de moeder, maar achterna bedenkende moest haar zoon met Willemke Sjoerds, de vorige meid, dat geld gestolen hebben. Daarin waren allen het eens en dit verklaarde ook de Spokerij. Ten slotte vroeg de moeder de raad van den predikant of haar zoon niet naar Oost-Indie kon, want, ze kon zoo niet langer leven en hem ook niet langer onderhouden. Nog blijkt uit de verhooren, dat Gerrit de eene na den andere voor den degen had geeischt en dien zelfs had getrokken tegen den vaandrig Atsma. Toen de vrouwen vertrokken waren, kwam de zuster Maria uit naam van hare moeder en grootmoeder om den hoed te mogen hebben. De predikant verwees haar naar zijne zuster en deze werd instantelijk door haar verzocht den hoed weg te willen maken, want zij durfde geen mensch meer aanzien en niet in de kerk komen, zeggende, dat de luiden op de merk haar meid al hadden nageroepen:. „Als Gerrit van Leeuwarden thuis komt zal hij wel een nieuwen hoed op hebben, waar geen pluimen op zitten."Maar Gerrit schijnt wijzelijk niet weer tot Sneek gekomen te zijn. Het Hof heeft althans geen veroordeelend vonnis over hem uitgesproken. Vrij zeker heeft Ds. v. Giffen de zaak in die richting geleid en de juffrouwen beneden grooter leed bespaard.
pagina 9
Submenu: