Verhalen
Een vermakelijke wachthistorie.
Hearen fen Sleat.
stean op, it is dei,
de hoarn is fol skyt en
de rottel is wei.
Dat versje is algemeen bekend en wij zijn steeds van meening geweest, dat het wel door den een of anderen guit bedacht zou wezen, doch bladerend in de oude annalen vonden we daarin eene officieele geschiedenis vermeld, die het alleszins waarschijnlijk maakt, dat „de Hearen van Sleat" destijds de hoorn waarop geblazen moest worden onklaar hebben gevonden terwijl de ratel verdwenen was, waarop het bovenstaande spotrijm is gemaakt en vermoedelijk wel gezongen. Zoo waren de zeden dier dagen. In pasquillen en rijmen wist men allerlei hatelijkheden en spotternijen aan den man te brengen. En wat werden er een biezerijen en grappen uitgehaald, soms geestig bedacht en met veel beleid en driestheid uitgevoerd. Er moest om gelachen worden, 't Was ook bijna het eenigste divertissement en nieuws dat men had om er zich mede te vermaken. De straffen voor velerlei ongerechtigheden waren vroeger wel veel zwaarder, doch het Jemaintiendrai op lang na zoo scherp niet. Het leven was veel vrijer. Er werd ook niet zooveel „verordend" als thans, waaraan trouwens ook minder behoefte was. Friesland b.v. was nog maar dun bevolkt en ieder inwoner mocht meer ruimte beuren. Ook was de gemeenzaamheid grooter en had men niet de scherpe afscheiding van standen, welke onzen tijd kenmerkt. Doch daarop zullen we niet verder ingaan. Het vorenstaande is voldoende om als licht eenig relief te geven aan wat er volgt. Ieder kent het welvarende stadje Sneek, dat van ouds een zeker renommee heeft gehad door zijne bedrijvige bevolking en den daar gedreven handel. Een paar honderd jaar geleden zag men er grachten, bolwerken, muren, poorten, wachten, ratelaars en soldaten en deed men er in alles als in eene groote stad. Trouwens ook te Sloten, toen van meer beteekenis dan later. Beide steden waren in den oorlog steeds de brandpunten van strijd geweest en in 1700 nog als sterkten aan te merken. Er lagen nog heel wat soldaten en de burgerij zelf was mede aangewezen op de veiligheid en verdediging. Daaronder had men ook hopmans of hoofdofficieren en vaandrigs, benevens zoogenaamde adelborsten. Die waakten ook nachts voor de rust en veiligheid der inwoners. Zoo ook in den nacht van den 21 Augustus 1703 Hopman Rauwerda moest 's avonds de Hoofdwacht betrekken, doch wegens onpasselijkheid liet hij zich excuseeren en werd Alef Nijeholt als zijn plaatsvervanger aangewezen. Deze noemt zich burgersergeant. Eenige adelborsten moesten dien nacht mede de Hoofdwacht betrekken, die boven de Waag werd gevonden. Thijs Jans, Stadsdienaar en Bierdrager, behoorde dien nacht mede tot de wakers, evenals de Notaris Publiques Abrahamus Ferf, oud 37 jaren, Ruurd Palsis, Foltert Cornelis, Jan Hagedoorn, Gerrit Adams en meer anderen misschien. Op Thys na, de Stadsdienaar, werden de laatsten allen adelborsten geheeten. De stadsdienaar is mogelijk ook wel een dienaar der heeren geweest, want hij was het die de lichten ontstak en die opstond toen er onraad scheen te zijn. Of hij, die als wacht op zijn post moest zijn, dan te slapen lag ? Ja, dit maal wel en hij vertelde het geval als volgt, toen hij door den rechter ter verantwoording werd geroepen: „Sergeant Nyeholt, zei hij aan de Wacht gekomen, wegens absentie van Hopman Rauwerda , heb ik hem gevraagd of de Sergeant ook beliefde te ronden dat is zeker rondegangen door de stad te maken heeft hij geantwoord „neen", waarop ik mij heb neergelegd om wat te slapen, maar een „weinig gelegen hebbende, kwam daar de notaris Abraham Ferf, adelborst, mede op de Wacht, seggende: „geef je altemaal gevangen”, waarop ik antwoordde „wij geven ons soo ras niet gevangen, gaande hij daarop zitten te smooken, vragende vervolgens of hier wel bier was, waarop Gerrit Adams antwoordde van ja en toen verhaalde voorz. Ferf, dat hij quam van Hendrick Veenboer, waar mede zaten zijne vrienden Broer Buma en Gauke Fookes, die mede op de Wacht wilden en daar aan een half mingeltien wilden gespandeert hebben. Zij zouden haast medegegaan zijn, zei Ferf, waarop Gerrit Adams repliceerde, wat of h ij met vreemd volk op de wacht van doen hadde. Hierna heb ik mij weder ter ruste begeven. zegt Thys, evenals de Sergeant Nyeholt, die zelf getuigt, „dat hij dien nacht meest heeft geslapen. Ook Ruurd Palsis en Folkert Cornelis hadden na de redewisseling van Thys en Gerrit met Ferf zich tot slapen begeven. Gerrii Adams idem. Alleen Jan Hagedoorn zegt, dat hij wakende is gebleven sittende tot 12 uur alleen te smooken, doch ziende dat Ferf die te ellef uur was gekomen en al de verdere wachters sliepen, hadde hij zich ook ter ruste begeven. De geheele Hoofdwacht van Sneek was dus om middernacht reeds slapende, doch buiten de Wacht speurden wakers rond, wien het gelukte behoedzaam binnen de Wacht te dringen, zonder dat iemand in zijn zoete rust verstoord werd, en toen deze hun guitenstreken binnen het gebouw hadden volbracht., bliezen ,ze de lichten uit en verdwenen met hun buit in de stille straten van Sneek, dat op zijne Wachten vertrouwde. Stad en land zouden er van spreken, zoo dachten de biezen en ze lachten in hun vuistje over hun welgeslaagd avontuur. Maar voor de mannen van de Hoofdwacht was het om te schreien, toen Jan Hagedoorn omstreeks één uyre in den nagt ontwaakte en zag dat de lichten uit waren, waarop de Stadsdienaar Thys Jans mede ontwakende,ook tot zijn schrik bemerkte, dat het duyster was en schielijk opstond, om het licht weder te ontsteken. Dit gedaan hebbende ontstond er eene groote consternatie, want Tys, met een angstig voorgevoel, had dadelijk zijn oog gericht op de sleutels van alle de Stadspoorten, welke boven Jan Hagedoorn hadden gehangen en nu verdwenen bleken te zijn. Al de Wachters waren nu plotseling voor goed ontwaakt en de een riep al luider dan de ander in de verwarring die er ontstond onder de zoo leelijk verraste en gefopte bewakers van de stad Sneek. Mijn degen is ook gestolen, riep Jan Hagedoorn en de lanciers zijn ook weg weer een ander en het rinkelmantsje met het bier waar is dat ? Ook weg en de koperen kranen en de tinnen mingels? Mede verdwenen. De Wachten van Sneek konden dus met lieber Augustein maar zingen: alles is weg! En wat de Sneekers als ze morgen ontwaakten en 't geval hoorden daar van wel zouden zeggen en wat de jeugd er van zoude maken en zingen! Hoe moet het en zal het gaan als er morgen vroeg niemand uit of in de stad kan, geen voetganger, geen wagen, geen schip of eenig vaartuig, want hoornen en poorten, alle waren ze gesloten en de sleutels, wie weet waar ? Is het wonder, dat er een groote consternatie was onder de mannen der Hoofdwacht en dat die nog vermeerderde, gelijk allen verklaren, toen de Hoofdofficier met zijn adelborsten en Stadsdienaar overal vruchteloos hadden rondgespeurd, onder en boven en bij de Waag. De clock sloeg twee uren, toen de hoop om het vermiste nog terug te vinden, geheellijk was vervlogen. Het zoeken werd opgegeven en Sergeant Nyeholt stelde de manschap voor maar weg te gaan, waartegen de Stadsdienaar Tys Jans krachtig protesteerde en zoo is men nog tot 5 ure in den morgen op de Wacht gebleven.Van slapen zal wel niet veel meer zijn gekomen en vrij zeker zijn er harde woorden gevallen, hoofdzakelijk gericht tegen den notaris publiques Ferf, wien verweten werd dat hij op dien avond met zijn vrienden had zitten bierdrinken en met een halve laars in op de wacht was gekomen, terwijl die vrienden zwaarlijk verdacht werden, dit stuk mogelijk met meer anderen te hebben uitgehaald tot schande van de Wacht en de Stad en geheel Friesland. .Ferf defendeerde zich, doch zijn vrienden van dien avond werden mede voor den rechter geroepen evenals de ratelaars Wouter Foekes en Ar noldus Michiels, welke dien nacht onder het Raadhuis de wacht hadden gehad. Zij hadden wel die vrienden zien passeeren. Wouter zegt dat Broer Buma en Auke Foekes zijn medemakker dien nacht nog hebben gegroet met een goeden avond en dat hij toen scherp had toegezien „wat volk sulks nog mochte wesen" en genoemde heeren herkende, die aan de overzijde van de Kerkstraat liepen na de Stadswage en om den hoek van dien gingen, zoodat ze van onder het Raadhuis niet verder konden worden gezien. Het was toen omtrent op de slag van 12 uur. Arnoldm bevestigt dit. Even later moet de roof zijn geschied. Buma ter verantwoording geroepen verklaart, dat hij met Ferf, Auke Foekes en de bode Serinerius ten huize van Hendrick Veenboer den avond heeft zitten drinken, dat eerst de bode, toen Ferf en hij met Auke een half uur later is vertrokken, zonder den juisten tijd te weten, hebbende nog een wandeling door de stad gemaakt, maar ze zijn niet op de Wacht geweest en Auke Foekes voegt er nog bij dat hij door inductie van Broer Buma's vrouw met hun drieën naar huis zijn gegaan, waarna hij en zijn vriend nog een wandeling hebben gemaakt de Peperstraat op en bij de Merk daar de Kleine Kerkstraat inloopt, zoodat ze schuins tegenover de Wage te lande quamen en daar gescheyden zijn. Dus ook onschuldig aan 't geval, dat mogelijk onopgehelderd is gebleven, althans in de officieele stukden vinden we het niet verklaard. Wel geven die nog een klein en de vermakelijk gevolg aan deze zeker veel en wijd besproken biezerij. Rienk Ruurda met eenige andere schippers en visschers waren naar de meer uit visschen geweest en kwamen in den vroegen morgen tusschen vier en vijf uur weder met hun schip of schepen voor de stad. Het was regenachtig en allen waren zeer nat en koud geworden. Aan de Kleine Palen van 't Hoogend werd hun van de wallen luide toegeroepen: „dat de sleutels van de stadspoorten te zoek waren en dat ze dus niet konden inkomen," De verkleumde visschers, niet in den regen kunnende blijven en bezorgd dat de visch die ze aan boord hadden, zoude sterven en bederven, hielpen nu zichzelf en forceerden den gesloten toegang der stad. Met man en macht wisten ze een stuk ijzerwerk in den vorm van een S zoo te verwringen en om te buigen dat het ijzeren hek daar uitgehaakt konde worden en de boom vervolgens geopend. De Portier Pieter Binzes maakte hun deswege proces en de visschers zeiden voor de rechters dat regen, koude en zorg over de visch hen hadden bewogen dus te handelen, toen ze hoorden dat de sleutels der stad zoek waren, niet voorziende dat het zulke zware gevolgen zoude hebben.
Zou men na deze ware geschiedenis van de Hoofdwacht der stad Sneek, het gebeurde met den hoorn en den ratel in de stad Sloten nog een verzinsel durven noemen ? Meer dan waarschijnlijk is het rijm op de „Hearen fen Sleat" aan de werkelijkheid ontleend. Jammer dat er geen rijm bewaard is gebleven van dit bizonder geval in Sneek. Vermoedelijk toch is de roof bezongen, gelijk destijds gebruikelijk was met zulke vermakelijke en lachwekkende biezerijen. Dat de vrienden yan den notaris Ferf de schuldigen zijn geweest, is meer dan waarschijnlijk, doch wegens gebrek aan bewijs konden ze niet worden veroordeeld.
pagina 10
Submenu: